02b verhalen over de (over)grootouders de Nooij

 

VI   Willem de Nooij (1853 - 1944) en Maria Doornebal (1880 - 1928)

 

De ouders van opa Willem de Nooij (Zwerus de Nooij 1826 - 1855) en Wilhelmina Overeem (overl 1897) trouwden pas kort ná zijn geboorte. Opa heeft dit zijn hele leven erg pijnlijk gevonden en praatte er nooit over.

Al een jaar later stierf zij vader, nog maar 29 jaar oud. Zij moeder ging toen maar terug naar haar ouders: Johannes en Elisabeth Overeem in Lunteren.  Zij hebben Napoleon nog meegemaakt!

 

Dit waren buitengewoon lieve mensen, die erg veel hielden van de kleine Willem. Deze zou later zijn derde kind naar hen beiden noemen.

Na verloop van tijd hertrouwde opa's moeder; maar zijn grootouders waren zó aan hem gehecht, dat werd besloten om hem daar te laten blijven.

In 1866, toen opa ruim 12 jaar was, kwam hij van school. Het plan was, dat hij zou worden opgeleid tot timmerman bij een broer van zijn moeder, Aart Overeem (32) te Woerden. Zijn tante Heintje (later getrouwd met Oom Ordelman, schoolhoofd te Lunteren) bracht hem er per trein heen. Dat was toen een hele onderneming.

 

Oom Aart haalde het tweetal om ± 11 uur van het station; om ± 12 uur voelde hij zich niet goed en om 15 uur stierf hij, na vreselijke pijnen, aan cholera. Er heerste toen een epidemie.

Nog dezelfde dag gingen opa en tante Heintje terug naar Lunteren, geheel verslagen door wat ze hadden meegemaakt. Drie maanden lang kon er geen lachje af bij opa. Maar in het najaar was hij zover, dat hij een besluit kon nemen over wat hij dàn zou worden: schilder, evenals zijn vader was geweest.

Bij een schilder in Lunteren ging hij als leerjongen werken tegen, een loon van ƒ 0.10 per week. Daarna ging hij naar de schilderschool in Rotterdam en volgde nog andere opleidingen.

 

De moeder van opoe de Nooij (Wilhelmina Overeem) was de tweede echtgenote van haar man. Er was geen prettige sfeer in huis: de moeder had meer aandacht voor de boerderij dan voor haar kinderen en er was altijd disharmonie.

Via haar familie in Lunteren leerden opoe en opa elkaar kennen. Toen opoe bij familie Overeem thuiskwam, was het voor haar een openbaring, dat het mogelijk was, op déze vriendelijke manier met elkaar om te gaan. Ze nam zich voor: "Zó wil ik het later ook hebben!" Tot vreugde van haar kinderen is dat heel redelijk gelukt.

 

Het huis, waarin onze grootouders de Nooij woonden, is in 1971 afgebroken. Het adres was: Torenstraat 5, vlak bij de Hervormde kerk, in het centrum van het toenmalige Ede.

Opa moet een goed vakman zijn geweest. Want hoewel het gezin zéér sober leefde, was er geen armoede en bleef er zelfs nog wat over om anderen te helpen. Snoep was er nooit in huis; een kind, dat zich had bezeerd kreeg een rozijn als troost en een verjaardagstractatie bestond uit één reep chocolade, verdeeld in zoveel stukjes als er gezinsleden waren.

Na de lagere school mochten de kinderen allemaal een vak leren en zo nodig kregen ze hulp bij het zelf beginnen van een zaak.

Opa moest wel àltijd werken en was daardoor soms prikkelbaar. Eén van zijn uitdrukkingen was: "Ik moest twee lijven hebben!" (wie van ons herkent dit niet, nu, in 1984?)

 

Tante Cor wist te vertellen:

In 1895 kocht opa een Duitse fiets voor fl 100,- om ook werk aan te kunnen nemen dat zich wat verder van huis bevond. Opa werd daarmee de eerste fietser in Ede!

 

Opoe wist hem goed op te vangen en kon ook de kinderen matigen, wanneer de onderlinge plagerijen te ver gingen. Ze was in staat, de kleine dingen klein en de grote dingen groot te zien; en ook, om niet al te hoge eisen aan het leven te stellen. Eén van haar spreuken: "Als 't redelijk is, moet je het loven!" En ook: "De honger kost een mens niet veel, maar hoogmoed en een lekkere keel." en "Lekker is een vinger lang."

 

In de schuur bij het huis hield men één, later twee varkens: één voor eigen gebruik en één om van uit te delen. Wat verder weg was een moestuin, "de hof". Daarin moesten de kinderen regelmatig helpen en konden ze ook spelen. Voor opoe was de hof niet alleen van betekenis voor de voedselvoorziening, maar ook vond ze daar een van de weinige vormen van ontspanning.

Ondanks alle werk speelden zowel opa als opoe graag met hun kleine kinderen en waren ze gastvrij voor familieleden, die kwamen logeren.

Eén van de volwassen dochters vroeg eens aan opoe: "Hoe speelt u het toch klaar om met al uw schoondochters in vrede te leven?"

"Dat is niet zo moeilijk", antwoordde ze, "ik laat ze maar vertellen en dan zeg ik "zo, zo" en "o, ja?" en "och hé". Je kunt niet overal zo diep op ingaan en een heleboel ontdekken ze later zelf wel."

Toen één van de knechts eens ziek was, vroeg moeder (Marie, geboren 1893) zich als klein meisje af: "Hoe moet dat nu, nu hij niet kan verdienen?" (ziektewet e.d. bestonden toen nog niet; kinderbijslag evenmin.)  Opoe zei: "Maak je maar niet ongerust, hoor; vader zorgt wel, dat Bertus geen gebrek lijdt." En dat was ook zo.

 

Vanaf 1920, toen ze een tweede attaque kreeg, lag opoe verlamd op bed of ligstoel, en werd verzorgd door haar drie thuiswonende dochters. Opa moet toen eens tegen haar hebben gezegd: "Wat is het toch een voorrecht, dat je er altijd bent als ik thuiskom van het werk!"

 

Ze waren allebei oprecht gelovige mensen. Hun diepste wens was, dat vooral in dit opzicht hun kinderen in hun spoor verder zouden gaan. Een tijdlang gingen ze helemaal in Renkum naar de kerk (lopende!), omdat daar nog "de zuivere prediking" te horen was. In 1887 werd te Ede overgegaan tot de instituering van een Dolerende kerk; Jan de Nooij, geboren op 14-09-1887, was het eerste kind, dat daar werd gedoopt. Dat werd door de leden van de Vaderlandse kerk niet in dank afgenomen; ze dreigden vader en kind te stenigen en zo vluchtte onze grootvader na de doopsbediening, met de kleine Jan in de armen, langs achterweggetjes en tuinen naar huis.

 

In die  tijd waren er rijmpjes  als:  “Ik Heb mijn klompen laten klampen, om de Dollen (Dolerenden) dood te trampen."

Wat een voldoening, dat de relatie inmiddels zo verbeterd is, dat serieus wordt gepraat over "Samen op weg"!

 

Krantenknipsel over de Doleantie (1886) en de uitgeschreven tekst daaronder

Trouw, 20-12-1985

 

AMSTERDAM - Op allerlei manieren herdenken de gereformeerde kerken volgend jaar de Doleantie van 1886. Op 18 april wordt in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk de officiële herdenkingsdienst gehouden,  waarin prof. mr. I. A. Diepenhorst een herdenkingsrede zal uitspreken.

Daar zal ook een gedenkboek over de Doleantie worden gepresenteerd door prof. dr. O. J. de Jong, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de rijksuniversiteit in Utrecht.

 

De Doleantie was een conflict binnen de hervormde kerk, veroorzaakt door de nogal onbekommerde houding van de synode tegenover vrijzinnigen, dat in 1886 tot een scheuring leidde. De uitgetreden gemeenten noemden zich Nederduits gereformeerde kerken, met toevoeging van het woord 'doleerende'. In 1892 verenigden ze zich met de kerken uit de Afscheiding van 1834 tot de gereformeerde kerken in Nederland. De afgescheidenen die niet meededen, vormden de christelijke gereformeerde kerk (later: kerken).

 

brief uit 1993  van Rie / Maria Snoek (Govertdr) aan Pieter de Nooij, over wat ze weet van hun familie

(deze brief is door tante Rie in haar album tussengevoegd)

 

de Heer en Mevrouw P. de Nooij,

Avenue Alfred Madoux 137,

 B 1150 Brussel, BELGIË.

 

Schiedam, 6-11-1993

 

Lieve Madzy en Pieter,

Eergisteren was ik bij tante Cor in Ede (Cor de Nooij, 1898, dochter van Willem de Nooij en Maria Doornbebal) en kon haar de vragen stellen, die Pieter vorige maand mij stelde. Ik zal proberen, zo goed mogelijk weer te geven wat ze vertelde:

 

Haar oudste broer Piet (geb 1883) ging omstreeks 1903 naar Brussel en bleef daar twee jaar, om het schildersvak (nog beter) te leren, 's Winters ging hij naar de schilderschool en ‘s zomers werkte hij bij een baas, onbekend wie. Na zijn terugkomst in Ede kwam hij bij zijn vader (de “oude Willem” dus) in de zaak. Ook richtte hij in Ede een tekenschool op; hij was zeer actief. Bovendien was hij een lieve verstandige broer, hartelijk, mee-voelend met het kleine zusje, dat tante Cor toen nog was. Ze denkt aan hem  met zeer veel waardering!

 

En nu de naam PIETER: van de 12 kinderen van mijn grootvader (jouw overgrootvader dus) werd het eerste kind genoemd naar Willemina Overeem de moeder van mijn grootvader. Ze stierf jong en het eerste meisje, dat na haar overlijden werd geboren, werd óók Willemina genoemd, naar het dode zusje. Het tweede kind werd, zoals gebruikelijk, genoemd naar een familielid van moederszijde. Dus werd jouw vader genoemd naar Pieter Doornebal, zijn grootvader van moederszijde. Deze Pieter was een grote boer in Doorn. Bovendien was hij paardenfokker, o.a. voor het Franse leger. Volgens tante Cor was hij een vriendelijke, zachtaardige man, die niet goed op kon tegen de zoons uit zijn eerste huwelijk, die ruwer in de omgang waren, zowel met mannen als met paarden. Mede daardoor verliep de paardenfokkerij  tenslotte. Na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwde Pieter Doornebal met Jannigje van Harten; uit haar werd jouw overgrootmoeder, mijn grootmoeder Maria Doornebal geboren.

Zij had een erg goede band met haar vader: ze hield veel van hem. Haar trouwen met een schilder, dat vonden vooral de broers te “min”. Het huwelijk tegenhouden lukte niet, Maria én Willem zetten door; maar Willem mocht niet logeren in huize Doornebal als hij zijn verloofde bezocht. En dat in een tijd waarin er nog geen fietsen waren en zeer weinig "openbaar vervoer".

Na hun huwelijk kwam Pieter Doornebal op bezoek bij het jonge paar en zei, spijt te hebben van zijn tegenwerking. Kort daarna overleed hij, ± 50 jaar oud. Ook de broers Doornebal trokken bij en kregen langzamerhand respect voor hun zwager!

 

Een jaar of wat geleden schreef ik eens op wat ik weet over de geschiedenis van mijn ouders;  maakte daarbij dankbaar gebruik van wat oom Ko aan gegevens verzamelde. Waarschijnlijk heb jij dat overzicht ook. Maar voor de zekerheid doe ik hier een copie bij van een bladzijde uit mijn Familiekroniek. Dan kun je het verhaal gemakkelijker volgen.

Omstreeks zijn 80e verjaardag schreef mijn grootvader de Nooij zijn "levensbericht" op in een aantekenboekje. Mijn moeder (dé tante Marie van jouw vader Pieter) schreef dat over en op mijn beurt typte ik het weer over voor mijn "Kroniek", inclusief wat opa er in 1934 bijschreef, na het sterven van zijn zoon Piet. Ik was toen 15 en een half en herinner me nog levendig, hoe groot het verdriet was in de hele familie; en ook het gevoel van "Hoe moet het nu verder? Oom Piet kan gewoon niet worden gemist!"

 

Naar ik hoop, hebben jullie wat aan deze verhalen! Als je meer wilt weten, dan met genoegen, naar vermogen! Het was een genoegen, met jullie kennis te maken. Een hartelijke groet en goede wens,

 in ieder opzicht, van je achternicht (?)    

Maria Snoek

 

 

Diverse verhalen over familieleden

 

Teksten bij foto’s:

Oom H. Ordelman, Lunteren, 21-08-1925. Hij was weduwnaar van opa’s tante Heintje Overeem (Opa = Willem de Nooij, geb 1853 gehuwd met Maria Doornenbal, geb 1857).

Hij was gepensioneerd schoolhoofd en tevens groot kindervriend. Zijn achterneefjes en -nichtjes de Nooij hielden dan ook véél van hem. Ook later toonde hij veel medeleven: van zijn niet te grote pensioen gaf hij zomaar f 100,00 aan moeder (= Marie Snoek-de Nooij, geb 1893, weduwe van Govert Snoek) “voor een nieuw been voor Marietje!” (Marietje (geb 1918, Govertdr) kwam op 10-jarige leeftijd met haar voet onder de tram, waardoor ze een prothese nodig had).

Marietje zelf tobde niet over de kosten van een nieuwe prothese. Maar bij het weggaan kreeg ze een antieke vaas, die ze zo prachtig vond, en waar ze jaren van heeft genoten. Tot de oorlog alles verwoestte.

 

Bij een foto van  Opa de Nooij met een stok:

Opa de Nooij, (= Willem de Nooij, geb 1853) hersteld van een heupfractuur in 1938, met een stok onder de arm. Later, toen zijn dochter  Marie Snoek-de Nooij een heup brak, kreeg zij die stok; nòg later ging de stok naar zijn kleindochter Maria Snoek (geb 1918, dochter van Marie Snoek de Nooij). Zou ‘heup breken’ erfelijk zijn?

 

Ria snoek Jr (geb 1954, dochter van Johan geb 1920) herinnert zich het verhaal dat opa, na zijn gebroken heup zuchtte: "nu moet ik de rest van mijn leven met een stok lopen!” Toen hij die heup brak, was hij 83 jaar!

 

Bij een andere foto van opa de Nooij:

Opa de Nooij hield er niet van te worden gefotografeerd. Toen Oom Ko (zijn zoon, geb 1897) met een camera naar hem toen kwam stak hij afwerend zijn arm uit: “Niét doen Ko!!!”

 

Bij een foto van alle kleinkinderen van grootouders de Nooij, tgv de 80e verjaardag van Opa, in Ede:

            sept 2001

            Beste Maria, 

Hierbij de foto die ik je beloofd heb. Ver voordat ik mijn Maria kende vertelde neef Barend Wilms (ws geb 27-6-1913, zoon van Johanna Elisabeth (Bets) de Nooij en Hendrik Wilms) ons in geuren en kleuren hoe de foto genomen: “de kleintjes brulden en als de fotograaf ze stil gekregen had begonnen wij, de groten (!) te lachen. En de fotograaf? Wel, die zweette”

Met hartelijke groet van Rie en van mij, Berend G. W...(?)

 

aantekeningen van tante Rie op een ‘los’ blaadje; er staat boven Tante Cor: (betreft dus ws informatie van tante Cor aan Rie)

 

Grootvader de Nooij: zijn moeder hertrouwde met Gerrit van Raaij; hij kreeg nog een dochter (Cornelia) naar wie Cor is vernoemd; Opa bleef bij zijn grootouders wonen in het huis waar later hun dochter Heintje woonde met oom Ordelman

 

Zoon  (Jo)Hannes van Raaij

 

Johannes Overeem (1803 - 1893) had een winkel aan huis, met oa brandewijn (o.a als middel tegen luizen) en Wolkammerij in huis; hij had ook turfvelden in Ederveen en was beëdigd rijksschatter (landerijen) (taxateur; RS). Op de lange wandeltochten onderwees Johannes Overeem de jonge Willem in het christelijk geloof (er waren nog geen christelijke scholen).

Zijn vrouw werd 89, ze was iets ouder dan hij (geb 1798)

**********

op een ander blaadje van tante Rie staat:

dagboek moeder:

Grootouders opa: Willem Johannes Overeem en Elisabeth Lensink.

Hun oudste dochter werd naar hen vernoemd: Johanna Elisabeth (tante Bets)

Ouders opa: Zwerus de Nooij en Willemina Overeem