dN gen 07

 

De Nooij. 7e generatie. Willem dN en Maria Doornebal

foto's en verhalen , oa over de Doleantie

 

inhoudsopgave (globaal) van deze pagina
personalia
opvoeding door grootouders en 2e huwelijk moeder
Maria Doornebal, utrechtse muts, veluwse muts
liefdesbrief 1878
aanstelling bij de raad van beroep Ongevallenverzekering 15-5-1903
40 jaar getrouwd
Doleantie 1887 en toespraak ivm 50 jaar doleantie, uit de NH kerk gezet 1895
gestenigd na doop van Jan
overlijden Maria en Willem
afscheidsbrief van Willem aan zijn kinderen
in memoriam en herinneringen (1963 en 2006)

06.02  Ouders van Willem:

Zwerus de Nooij geb  19-11-1826, overl 28-2-1855 en Willemina Overeem  geb 13-5- 1831, overl  28-1- 1897 

07.02

Willem de Nooij (geb Lunteren 23-10-1853 ge-echt** 1-12-1854, overl 7 febr 1944) x 6-2-1880 met

Maria Doornebal geboren in Doorn 11-5-1857; overl Ede, 30-1- 1928 

dochter van Pieter Doornebal en Jannetje van Harten

Willem vestigde zich in 1879 te Ede; Maria kwam uit Doorn 

 

     Uit hun huwelijk werden geboren, te Ede:  (lijst uit de familiekroniek; meer informatie en data volgen nog)

  1. Willemina 1881 - 1885  08.02.21
  2. Piet                     1883 - 1934; gehuwd met Maria Mulder (overl 1973)  08.02.22
  3. Joh.  Elisabeth      1884 -  1951;   gehuwd met Hendrikus Wilms (overl)   08.02.23
  4. Zwerus 1886 - 1964;   gehuwd met Costera Cozijnsen,(overl 198?)  08.02.24
  5. Jan 1887 - 1940;   gehuwd met Cornelia Weeda, (overl)  08.02.25
  6. Willemina          1889 - 1968;   ongehuwd  08.02.26
  7. Hendrik 1891 - 1977;   gehuwd met Anna Brünink (overl)  08.02.27
  8. Maria (genoemd

          naar haar Moeder) 1893 - 1973;   gehuwd met Govert J. Snoek, (overl 1923)  08.02.28

  1. Jan Willem          1895 - 1984; gehuwd met Hendrika Velthuis, (overl 15-4-1949);  08.02.29

                                                         daarna met Hermien Buter (overl 1988)

  1. Jacobus 1897 - 7 okt 1984;   gehuwd met Anna N.G. Snoek (overl 1990)  08.02.30
  2. Comelia 1898 - 13-3-1994; ongehuwd; apothekers assistente, 1931  08.02.31
  1. Johanna Gysbertha1900- 1949; ongehuwd; boekhoudster  08.02.32

trouwboekje van Willem en Maria

Willem 07.02 kreeg bij zijn geboorte de naam Overeem. Bij het huwelijk van zijn ouders werd hij ge-echt en kreeg hij de achternaam van zijn vader, de Nooij. 

 

 

 

Huwelijksacte en mogelijke oorzaak van het late huwelijk fotoblad 06.02

bij het huwelijk van zijn ouders 06.02 kreeg Willem de naam van zijn vader, de Nooij.  

Over opvoeding door grootouders en 2e huwelijk van Willems moeder

Na overlijden van Zwerus  hertrouwde Willems moeder  (Wilhelmina Overeem) met Gerrit van Raaij. Zij kregen een dochter Cornelia en zoon Joahnnes (Jo van Raaij). Tante Cor is vernoemd naar deze Cornelia , de halfzus van haar vader Willem.

 

Willem de Nooij bleef na het overlijden van vader Zwerus  bij zijn grootouders wonen, in het huis waar later hun dochter Heintje woonde met Oom Ordelman.

***************

Johannes Overeem (1803 - 1893)  had een winkel aan huis met o.a. brandewijn (o.a als middel tegen luizen!). een wolkammerij in huis en hij had turfvelden  02. familie de Nooij (de Nooy) stamboom in Ederveen en hij was beëdigd Rijksschatter (landerijen)  (taxateur; RS). Tijdens lange wandeltochten onderwees Johannes zijn kleinzoon Willem in het Christelijk geloof (er waren toen geen christelijke Scholen).

Zijn vrouw (Elisabeth Lentink uit Dordrecht, geb 1798) werd 89; ze was iets ouder dan hij

**********

op een ander blaadje van tante Rie staat:

dagboek moeder:

Grootouders opa: Willem Johannes Overeem en Elisabeth Lensink.

Hun oudste dochter werd naar hen vernoemd: Johanna Elisabeth (tante Bets)

Ouders opa: Zwerus de Nooij en Willemina Overeem

(zie ook familiekroniek)

Hierboven portetjes van Willem de Nooij (geb 1853) en Maria Doornenbal (geb 1857)  07.02; Maria Doornebal met Utrechtse knipmuts. De handgeschreven tekst is van hun kleindochter Maria (Rie) Snoek geb 1918, dochter van Govert Snoek en Maria de Nooij 

Maria Doornebal 07.02 met Veluwse muts; links  en dochters Mien en Maria ; rechts: getekend door haar zoon Zwerus dN (1910)

Maria Doornebal

Maria werd geboren op 11 mei 1857 in Doorn.

Haar ouders waren Pieter Doornebal en Jannetje van Harten. Pieter was een welgestelde boer die o.a. paarden fokte en een boederij bewoonde in de buurt van Huize Doom.

Jannetje van Harten werd in Lunteren geboren op 30 augustus 1829. Zij vertrok in 1852 naar Doorn waar zij

dienstbode werd op de boerderij van Doornebal.

Pieter had een aantal zonen en een dochter Koos genaamd.

Toen Pieter's vrouw stierf hertrouwde hij met Jannetje en uit dat huwelijk werd Maria geboren.

Maria ging regelmatig logeren bij haar grootouders van Harten in Lunteren en leerde toen Willem de

Nooij kennen. Omdat Maria nog wat jong was (18) wilde men nog enkele jaren wachten alvorens te gaan

trouwen.

Op 6 februari 1880 trouwden ze dan in de Ned. Herv. kerk te Doorn. Het huwelijk werd ingezegend door

Ds. Montijn. Bij deze dominee was Maria 2 jaar in de huishouding geweest.

Maria droeg in Doorn altijd de Utrechtse muts, maar na haar huwelijk legde ze die af en ging zij over naar de

Veluwse knipmuts die zij tot het eind van haar leven heeft gedragen. Dit is mij door tante Cor de Nooij in de

negentiger jaren verteld.

 

Tante Koos, Maria's halfzuster, kwam regelmatig in de Torenstraat logeren. Als kind waren wij niet gelukkig als

wij haar moesten kussen want zij had een behaarde pukkel op haar wang en daar griezelden wij van.

Ik kan mij nog goed herinneren hoe ik als het winter was en tante Koos logeerde in Ede, van mijn moeder onze

warmwaterstoof naar de Torenstraat moest brengen.

 

Zwerus de Nooij (zoon van Willem en Maria)

brief 1878 van Willem aan Maria

brief uit 1878 van Willem de Nooij, geb 1853 aan zijn minnares Maria Doornebal. Ze trouwden in 1880. Ria Snoek, geb 1954, Johandr leende deze kopie in maart 2008 van haar tante M. Snoek, Govertdr, geb 1918. Overgetypt door Ria Snoek, geb 1954, Johandr,

**********************************

Waarde en zeer geliefde minnares!

Daar deze dag een dag is die wij niet onaangeroerd kunnen voorbijgaan en ik in persoon niet bij U kan zijn vóór morgen, zoo feliciteer ik U bij dezen wel met

uwe verjaardag en wensch U dat de Heere U nog vele jaren zal sparen en leiden op den weg des levens en U en ook mij eens in genade aanzien, opdat wij eenmaal voor Zijn aangezicht zonder verschrikken mogen verschijnen, dat is mijne hartewensch en nu mijn lief ik heb Uwen brief in gezondheid ontvangen en ook die van U gezien, ik hoop U morgen in persoon te feliciteren, en wel met de middagtrein aankomende.

U hebt mij een brief gestuurd met zulk een mooi stempel aan het hoofd…. dat ik het niet kon nalaten om ook hier iets bij te voegen, toepasselijk op onze verhouding  omtrent elkander. Ziet eens of gij  het kunt begrijpen en het weet te plaatsen.

 

Nu mijn lief, hier zal ik het  bij laten.

Dan bij welzijn tot morgen

Zoo verblijf ik met achting

Uwe Zeer liefhebbende

Minnaar

Willem de Nooij

Breukelen 11 mei 1878

Foto ca 1906?? Willem de Nooij (geb 1853) met  Maria Doornebal (geb 1857) en hun kinderen:  staand vl.nr. Piet (geb 1883 08.02.22), Jan (geb 1887 08.02.25), Zwerus (geb 1886, 08.02.24), Hendrik  (geb 1891, 08.02.27) zittend: dienstbode, Cor (geb 1898), Wim (1895  08.02.29), Willem de Nooij en Maria Doornebal  07.02, Bets (geb 1884 08.02.23), Joahnna  (geb 1900 08.02.32), Ko (geb 1897 08.02.30),  Maria (geb 1893 08.02.30), Mien (geb 1889 08.02.31)  Bron foto: Roelie Wilms, ingescande dia's van haar vader Berend Wilms; Roelie is, kleindr van Hendr de Nooij en Anna Brunink

foto 1903. Marie - 08.02.28, vader Willem, Cor - 08.02.31 - Wim - 08.02.29, Anna 08.02.32, moeder Maria Doornebal, Ko 08.02.30

Mien 08.02.26 - Zwerus 08.02.24 - Bets 08.02.23 - Piet 08.02.22 - Jan 08.02.25 - Hendrik 08.02.27

Foto hierboven Willem de Nooij 07.02

Foto's hieronder:

Piet de Nooij 10.02.13

Onlangs heb ik de schilderijen van ons aller voorvader Willem de Nooij en voormoeder Maria Doornebal laten restaureren. Ze zien er geheel opgefrist uit en kunnen weer een generatie mee. Het scheelt natuurlijk, dat wij niet roken. (...) Het paar hangt weer in mijn 'Veluwse hoekje' op mijn studeerkamer; niet een plek waar we onze kleinzoon zullen neerleggen, want beide voorouders maken toch wel een intimiderende indruk op kleine kinderen, als ik het zo mag uitdrukken.

Antwoord van Johan de Nooij (Jacobuszoon): Goed idee om deze te laten restaureren. Ik weet niet wie ze geschilderd heeft. Oom Zwerus misschien? Die kon dat goed! Of jouw Opa Piet? (Dat was natuurlijk het goedkoopst!). 

Foto's in  febr 2012 gekiekt door Ria Snoek, geb 1954, in het huis van Pieter de Nooij (10.02.13, Zoon van Menno Anthonie); Pieter erfde de schilderijen van zijn moeder  (09.02.05); hij meent dat zijn ouders het indertijd van tante Costera kregen (08.02.24, weduwe van Zwerus)

Teksten in het handschrift van W. de Nooij

(ik heb de spelling en de vaak afwezige interpunctie van de schrijver niet gewijzigd. De bijna overal ontbrekende hoofdletters aan het begin van een zin heb ik toegevoegd - Dries Touw.)

Recept

          Er is een ziekte die aan het lichaam aankomt, door besmetting, en wel deze genaamd (Crets) of schurft, die zich doet uitkomen aan het menselijk lichaam. waar het witte en roode vleesch afscheid, (ook aan verborgen plaatsen) en in de gewrigten en tusschen vingers en teenen, die veroorzaakt ondragelijke jeuk en openbaart zich in ontelbaar kleine waterblaasjes. Deze dan is door schrijver dezes (16 jaren oud zijnde) genezen. met het volgende mengsel n.l.

1 deeltje Arcenekum                ) in reuzel. zwaar vergif

1    “       levende Kwito            )

1    “       Spaans graan

fijn gevreven in raapolie op (een steen of glas) dooreengemengd en neme daarvan bij het nabedgaan een hoeveelheid als een kleine erwt, en vrijve dit in de ballen van de handen, zoolang dat het geheel ingewreven is en dekt de handen dan af met handschoenen

Men zal dit 3 weken doen of 4, en zal bij zes dagen al verdoving merken en dan geheele verdwijning. Alleen een paar maal bij weersverandering. eenig nalaatsel dat vanzelf weer verdwijnt.

(Goed Sukses) (van een oude Schaapherder)  1870.

proces verbaal van beediging - aanstelling bij de raad van beroep Ongevallenverzekering 15-5-1903, als vertegenwoordiger van de werkgevers

en een verlenging van het dienstverband op 3-9-1906 en 13-9-1915

1905. Ter gedachtenis aan het Zilveren feest onzer geliefde ouders, Soli Deo Gloria, 25 jarige echtvereniging van Willem de Nooij en Maria Doornebal 6 febr 1880 - 6 febr 1905, Wilhelmina 08.02.21, overl , Pieter 08.02.22, Johanna Elisabeth 08.02.23, Zwerus 08.02.24,  Jan 08.02.25, Wilhelmina 08.02.26, Hendrik 08.02.27, Maria 08.02.28, Jan Willem 08.02.29, Jakobus 08.02.30, Cornelia 08.02.31, Johanna Gijsbertha 08.02.32. Het tableau is gemaakt door zoon Zwerus (toen 19 jaar)  (foto gemaakt tijdens familiereunie apr 2009 door Ria Snoek, geb 1954)  

de Nooij, ontcijferd door Dries Touw (echtgenoot Ria Snoek, geb 1954)

 

Ede, 23 December 1889

 

Den Heer Nijholt

                                    Te Oosterbeek

Mijnheer en vriend!

Destijds toen U bij ons was herinnert gij U nog wel gesproken te hebben over verf voor schoolborden. Nu was mijn plan al lang om U eens te bezoeken, mar ben door ongesteldheid  van 14 dagen lang en nog verhinderd. Nu heb ik 6 stuks klaar staan om te zwarten, en ik verwachtte (?) Uw methode wel eens in toepassing te brengen. Zoudt U ook zoo vriendelijk willen zijn om mij dat recept te sturen en ook op te geven  of de aanmenging met gek. (gekookte?) Olie [onleesbaar - rauwe olie?] of terpentijn moet gaan.

Tot wederdienst bereid verblijf ik in afwachting

 

Ued. Dw. D*. en vriend

W. de Nooij

* Dienstwillige Dienaar

************************

een paar komma's heb ik vervangen door punten! Dries

Piet 08.02.o2 , vader Willem 07.02 , Ko 08.02.30 Zwerus 08.02.24

Overdracht bedrijf in 1919

van afschrift P. de Nooij

 

Wij ondergeteekenden Pieter de Nooij en Zwerus de Nooij schilders te Ede nemen door onderteekening dezes de verplichting op ons te zullen uitkeeren, vanaf den eersten Januari negentienhonderd negentien, aan W. de Nooij te Ede, gedurende zijn leven, de som van vijftienhonderd gulden per jaar en wel ieder voor de helft en samen voor het geheel, terwijl de rechtverkrijgenden in de firma W. de Nooij en Zonen deze verplichting evenzoo zullen moeten aanvaarden of mede aanvaarden.

Wanneer de winst, welke gemaakt wordt in de zaak W. de Nooij en Zonen per kalenderjaar minder mocht bedragen dan driemaal vijftienhonderd gulden, dan zal het uit te keeren bedrag het derde gedeelte van de gemaakte winst niet te boven gaan. Bij overlijden van vader W. de Nooij zal deze verplichting tot uitkeering stilzwijgend overgaan op Moeder de Nooij gedurende haar leven.

De som die vanaf één Januari negentienhonderd negentien uitgekeerd is of nog uitgekeerd moet worden zal tesamen minstens tweeduizend driehonderd gulden moeten bedragen.

De termijnen van uitkeering zal door W. de Nooij worden bepaald.

Tot het verkrijgen van deze uitkeering doe ik W. de Nooij door onderteekening dezes algeheele afstand van het mij toebehoorende derde gedeelte in de eigendommen als anderszins in de firma W. de Nooij en Zonen en draag ik deze in zijn geheel over aan P. de Nooij en Z. de Nooij tesamen en ieder voor de helft.

Gedaan, goedgekeurd en geteekend te Ede

op den derden October negentienhonderd achttien.

(handtekening)

  1. de Nooij
  2. de Nooij
  3. de Nooij

(Overgetypt door W Biesmond LETs – tegen vergoeding sleutels)

afspraak 1921 betaling 1500 p jaar

Ondergeteekenden:

  1. Pieter de Nooy, gediplomeerd meesterschilder,
  2. Zwerus de Nooy, gediplomeerd meesterschilder en
  3. Jacobus de Nooy, verffabrikant

Allen wonende te Ede

verklaren zich over en weer jegens elkander en tegenover hunnen vader den Heer W. de Nooy te Ede, te verbinden om – gedurende het bestaan der vennootschap onder de firma: W. de Nooy en zonen, gevestigd te Ede, opgericht bij akte den 10 Februari 1921 door notaris Fischer te Ede, verleden – aan hunnen genoemden vader), wekelijks uit de kas dier vennootschap, waarvan zij ondergeteekenden de eenige firmanten zijn, te zullen betalen een bedrag van dertig gulden, F * ingaande den

Ede 11 Februari 1921

(handtekeningen)

  1. de Nooij
  2. de Nooij
  3. de Nooij

In de kantlijn:

en zoolang hun moeder leeft bedenkt? dezelfde verplichting (3 handtekeningen)

*  F bedoeld is een bedrag van vijftienhonderd gulden per jaar (3 handtekeningen)

Tante Koos was halfzus Maria Doornebal, dochter van Pieter Dornebal en 1e echtgenote 

Pieter 08.02.22, Johanna Elisabeth 08.02.23, Zwerus 08.02.24,  Jan 08.02.25, Wilhelmina 08.02.26, Hendrik 08.02.27, Maria 08.02.28, Jan Willem 08.02.29, Jakobus 08.02.30, Cornelia 08.02.31, Johanna Gijsbertha 08.02.32.

vader Willem 07.02 en moeder Maria 07.02

 

advertentie in de krant ivm 40 jaar getrouwd.

Familie de Nooij 6 februari 1920 (40 jarig huwelijksjubileum)Volgens Johan Snoek geb 1920 Govertzoon: Zittend van l.n.r: Cor (geb 1898 08.02.31), Bets Wilms-de N (geb 1884 10.02.23), Willem de Nooij (geb 1853 07.02) met Maria Doornebal (geb 1857 07.02),  An (geb 1900 07.32) (ongetrouwd), Marie de Nooy- Mulder (x Piet 08.02.23) staand van l.n.r.:Anna Brunink  08.02.27 (x Hendrik), Hendrik de N (geb 1891 08.02.27, An Snoek (verloofde Ko dN) en Ko de Nooij (geb 1897 08.02.30), Hendrikus Wilms (x Bets 08.02.23) , Jan de Nooy (geb 1887 08.02.25) en Cor Weeda (x Jan), Mien de Nooy (geb 1889 08.02.26), Zwerus de Nooy (geb 1886 08.02.24) en Costera de N-Cozijnsen 08.02.24(x Zwerus), Maria de Nooij (geb 1893 08.02.28) en  Govert Snoek, Marie Legemaat (toenmalige verloofde van oom Wim) en Jan-Willem (Wim) de Nooy (1895 08.02.29), Piet (geb 1883 08.02.22) oudste zoon in de familie de Nooij en oudste broer van je grootmoeder. Piet was de  actiefste van het groepje de Nooy-kinderen, was ook aardig, directeur van 2 bedrijven, kerkbestuur, schilderde enz. 

zie ook verhaal van  Ko over zijn broer Piet 08.02.22  en van Rie Snoek 08.2A.22-02 Piet de Nooij.

Bron foto: Roelie Wilms, ingescande dia's van haar vader Berend Wilms; Roelie is, kleindr van Hendr de Nooij en Anna Brunink 

 

Doleantie 

 

gestenigd na de doop van zoon Jan

Uit een tekst van Paulien Brussen-de Nooy:

Ik wil eerst nog even vertellen: toen Pa (Jan de Nooij-zoon van Willem de Nooij en Maria Doornebal)  werd geboren (14-9-1887) was er een heftige kerkstrijd in ons land. De kerken scheidden zich in Hervormden en dolerenden of Gereformeerden. Die Gereformeerden werden gehoond en gehaat. Maar voor de mensen, die zich afscheidden, was het een geweldige gewetenszaak. En ook de ouders van Pa hoorden in Ede tot de eerste dolerenden. En Pa was de eerste, die in hun kerk zou worden gedoopt. Toen hebben ze hem willen stenigen, en is onze grootvader met zoontje Jan in de armen, door achterweggetjes en tuinen gevlucht na het dopen.

Pa (Jan) vertelde ook, dat ze, toen ze klein waren en naar school gingen, als ze dan Hervormden tegenkwamen, dat de Hervormde lieverdjes dan zongen : "k Heb mijn schoenen laten lappen, om de dollen (dolerenden) dood te trappen".

 

Uit de N.H.kerk gezet  (7 jaar nabegin van de doleantie)

(Vreemd is dat deze brieven dateren van juni - okt  1895 - terwijl de Doop van Jan al in sept 1887 was, dus ruim 7 jaar eerder!; RS)

Willem  de N en Maria Doornebal werden uit de N.H. kerk gezet. Tekst ontcijferd door Dries Touw(echtgenoot Ria Snoek, Johandr geb 1954)

**********************************

No  261                                                                                   Arnhem, 5 juni 1895

Weledele Heer!

Namens het Classicaal Bestuur van Arnhem  vragen wij U: of Gij in de Ger. Kerk (B) het ambt van Diaken hebt bekleed, en zoo ja, of gij dat betreurt, en U in het vervolg als een getrouw lid der Ned. Herv. Kerk wilt gedragen?

Indien wij binnen acht dagen op deze vraag geen schriftelijk antwoord  van U mochten hebben ontvangen, houden wij het ervoor, dat gij het feit erkent, maar van Uwen verkeerden weg niet wilt terugkeren.

 

Namens het Classicaal Bestuur van Arnhem

                                                           H.C. van Lindonk Preases

  1. Beets secr

Aan Willem de Nooij

Te Ede

 

**************************************************

                                                                                                          Ede 19 Juni 1895

 

Den Weled. Heer C Beets

Secretaris  bij het Classicaal Bestuur

Ned. Herv. Kerk te Arnhem

 

Weledele Heer!

In antwoord op Uw schrijven van 5 juni jl. [diene?] dat ik het ambt van Diaken bij destijds Dolerende [..] Geref. Kerk te Ede bekleed heb van 1 Januari 1891  tot 31 Dec 1892, en heb daarvan niet het minste berouw.

Mochten er nu op deze [?] nog een twee volgen n.l. schrapping van het lidmaatschap  of zoo iets  wil u dan zoo vriendelijk zijn indien dit in uw macht is om ook mijne Huisvrouw Maria Doornebal en onze 4 oudste kinderen Wilhelmina (overleden), Pieter, Johanna Elisabeth  en Zwerus  een gelijk lot te doen ondergaan  gedachtig aan Joz. 24 vers 15 - 63 [?] maar […] mij en mijn huis [?].  Wij zullen een Heere dienen  […]  heb ik […] de eer te zijn  

Ued. DW. D*                                   ( * Dienstwillige Dienaar)

 

Willem de Nooij

***************************************

No. 321                                                                                               Arnhem 20 Aug 1895

Overwegende dat uw naam voorkomt in het lidmaatschapsboek der Ned. Herv. Gem. te Ede , dat gij echter , door Uw kind te doopen in de Geref Kerk aldaar, getoond hebt volkomen met uwen echtgenoot eensgezind te zijn , die om redenen u bekend, van het lidmaatschap der Ned. Herv. Kerk is ontzet;

Heeft het Classicaal Bestuur van Arnhem besloten ook u van uw lidmaatschap te ontzetten, en U  daarvan mededeling te doen , om u de gelegenheid te geven dat vonnis te ontgaan, door binnen acht dagen schriftelijk aan ons te verklaren , dat gij hetgeen geschied is betreurt, en u voortaan als een goed lid der Ned. Herv. Kerk wilt gedragen

 

 Het Classicaal Bestuur van Arnhem

                                                           H.C. van Lindonk Preases

  1. Beets secr

Aan Maria Doornebal

Huisvrouw van Willem de Nooij

Te Ede

************************************

[ stempel]

Classicaal Bestuur

van

Arnhem

No 372

                        L.S.

 

Het Classicaal Bestuur  van Arnhem, overwegende dat  Willem de Nooij, bij vonnis van 21 juni 1895 en Maria Doornebal bij vonnis van 18 sept. 1895  van het lidmaatschap  der N. H. Kerk  zijn ontzet, als schuldig  aan verstoring van orde en rust  in de Gemeente Ede en een [één] met woord en daad  ten duidelijkste tonen, dat zij zich hebben afgescheiden van de N.H. Kerk.

 

Welke vonnissen de geldigheid hebben gekregen van einduitspraken.

Handelende overeenkomstig  Art. 27 v.h. R.v.K.O. en T.

Gezien Art 3 v.h. A.R.

                        (Dries: reglement van kerk orde en tucht?)

Verklaart dat bovengenoemde Willem de Nooij en Maria Doornebal door woord en daad getoond hebben zich van de N.H. Kerk af te scheiden, dat zij mitsdien niet meer tot haar behooren, en van hunne betrekking tot haar zijn vervallen.

[zegel]

                                    Het Classicaal Bestuur  van Arnhem,

                                                           H.C. van Lindonk Preases

  1. Beets secr

 

                                    Arnhem, 15 okt 1895

 

Aan Willem de Nooij

en  Maria Doornebal

Echtelieden

Te Ede

 

**************************************

 Onderwerp:

oude papieren.

Datum:

Sat, 26 Sep 2009 07:42:31 -0600

Van:

John and Betty Langkamp

Aan:

ria snoek

 

Hi Ria.

Ik heb enkele papieren die je misschien interesseren.

Het zijn de papieren van Opa en Oma ,die door de Hervormde kerk worden uit gezet van 1895.

Het is natuurlijk in de Hollandse taal, Opa,s handschrift is een beetje moeilijk om te lezen maar de antwoorden van de Hervormde kerk zijn goed te lezen,

als deze papieren belangrijk voor je kunnen zijn zal ik ze sturen,

Laat het mij maar weten, hier is alles goed maar een hele droge zomer .

Mijn staar operatie is heel goed gelukt en nu wacht op een nieuwe bril.

 

Groetjes aan allemaal van Bep en Joop.

(Bep Langkamp is dochter van Jan de Nooij en Cor Weeda , kleindochter van Willem de Nooij en Maria Doornebal)

**************************************************

De kopieën die ik (Ria Snoek)  van Bep Langkamp kreeg had ik gescand, maar in  juli 2010 vervangen door Scans die ik van Dini Brussen kreeg. Dat waren scans van de originele brieven en(dus)  beter leesbaar.

 

willem met gezin uit de NH kerk gezet. Scans van de brieven

('vertaling'van de brieven hierboven)

Herdenking 50 jaar Doleantie (1937) in Ede. Rede, door Willem de Nooij uitgesproken

Rede door Willem de Nooij uitgesproken tijdens de 50-jarige herdenking van de Doleantie (1937) in Ede

(ik heb de spelling en de vaak afwezige interpunctie van de schrijver niet gewijzigd. De bijna overal ontbrekende hoofdletters aan het begin van een zin heb ik toegevoegd - Dries Touw, echtgenoot van Ria Snoek.)

 

Versie van de rede, voorzien van een hopelijk wat betere interpunctie (ik heb geen zinnen omgebouwd en daardoor blijft het boeiende stuk soms moeilijk te volgen; ik snap het niet altijd - Dries)

De schrijver gebruikt vaak ‘na’ waar wij ‘naar’ zouden schrijven en zeggen. Ik heb dat niet veranderd.

************

De burgerlijke gemeente alstoen (1880) was zeer orthodoks of ook gedeeltelijk liberaal, maar elke stand ging te kerk, al was het maar oudejaarsavond. De Dominee die predikte zoo als hij dat goed vond, op tijd werd er gedoopt, eerste zondag van elke maand. [en] De belanghebbende kon de week tevoren na het hoofd der school gaan; die was voorlezer in de kerk en hield het lidmatenboek bij. Deze aangifte van de dooppeling (zo noemde men het kind) koste 10 cts. [en] Het H. Avondmaal werd vier maal per jaar gehouden. Daarvan werd door weinigen gebruik gemaakt. [en] Eigentlijk huisbezoek was al heel zeldzaam als het nog gedaan werd en het ziekenbezoek ging dan ook zoo-zoo. De prediking die was smorgens een vrije stof,. [en] ‘s middags de cathechismus en in de winteravonden elke week een avonddienst. En alles ging zoo te zien heel goed.

Maar toch waren er eenige leden (meest gegoede menschen) die dit niet na de zin was. [en] Die richten een vriendenkring op en openden in de Molenstraat een lokaal voor ? (inwendige zending zoo te zeggen) in een koetshuis, later geref. kerk aan de Molenstraat, onder toezicht van den Weled. Heer G.J.O. Cavaljee. Men behielp zich daarmee. Nu waren er van tijd tot tijd wat leden van andere plaatsen in de gemeente gekomen. Die vonden deze dingen wat vreemd. [en] Met wat oudere Mannen en Vrouwen gingen ook die een gelegenheid zoeken en vonden die in een huisje bij de oude Wouter Dekker aan de Bergstraat. [en] Er werd een preek of boek gelezen, gebeden en gedankt en men was stichtelijk bijeen, wel niet geheel na de zin van Dominee en Kerkeraad, maar er kwamen geen kwesties. [en] Er werd veel geofferd voor de huisbaas, maar bij de kerk blijven dat wilde de vereenigingen beide.

Maar daar was in 1879 in Renkum een Dominee gekomen, daar ging een goed getuigenis van uit: Ds E.E. Gewin [goed gespeld?]. [en] Er gingen al heel wat vrienden en vriendinnen kerken. Om halfacht van huis, om halftien in Renkum, (zie noot 1) of middags in een koffiehuisje, of bij een kennis met de boterham. [en] Het ging en de hoorders waren zeer voldaan. Daarbij kwam in 1883 in Schaarsbergen Ds W. van den Bergh. [en] Die kregen wij ook wel eens te hooren, [t zij] in Bennekom of Otterloo. [en] Wij waren er mee verblijd en bleven de zaken in het kamertje bespreken, dat intusschen zoo veel te klein begon te worden (doordat Vriend G. Davelaar zoo af en toe een bijbellezing en verklaring hield) dat [en] er uit gezien moest worden na een grooter vergaderplaats, [en] die gevonden en aangeboden werd door Willem Hendriks en Grietje van Essen (Koffiehuis van de Herv. Kerkgem. van ouds). [maar] Het ging weer een tijd goed. [Na?] een paar jaren ook daar was het weer te vol. [en] Vriend G. Davelaar was intusschen geslaagd voor godsdienstonderwijzer bij de Hervormde Kerk. [en] Hoewel in Ede werk genoeg voor zijn Persoon was wilde men hem toch niet aanstellen alszoodanig (alles was toen nog in rust), maar af en toe kwam er toch wel een kleine terecht-wijzing, dat dit (afwijkt van de Herv. Kerk). Totdat (tijd en handelen zijn in ‘s Heeren hand) gevoelde Mijnheer Cavaljee zich aangetrokken voelde na Vriend Davelaar en degenen die daarbij behoorden. [en] Hij zocht die [de?]vereeniging met [van?] de beide samenkomsten en kwam [bij?] Vr. Davelaar met het voorstel om te overwegen [kwam bij Vr. Davelaar met het te overwegen voorstel]  

 

Toen zijn eenige Vrienden te zamen gekomen om die zaak te bespreken bij W. Hendriks, te weten de Heer J. Tulp, Geurt van Peursum, G.E. van Peursum, J. Eijlander, J. Gazenbeek, H. van Zoelen, W. Beussink. P. Melissen, G. Gazenbeek, A. van den Dikkenberg en C. van Beek, Harmen van de Weert, A. van Omme, W. de Nooij en anderen [onderaan toegevoegd: H. Klok, A. van Donselaar, Jacob Mulder (op Roekel), J. van de Hoef (op de Proosdij), J. van de Hoef (op de Bommenij), A.L. Veenendaal, Br. G.J.C. Cavaljee, Elbert Bouw op de Elzenbosch en J. van Voorst op Roekel, Aart Davelaar, W. Davelaar en anderen, en hunne Vrouwen en gezinnen.

 

Daarmede hebben de Heeren G.J.C. Cavaljee en G. Davelaar gesproken. Omdat Mr. C. zoo vervuld was met die zaak dat hij het noemde een pad door de zee en een weg in de wildernis, [en] zijn lokaal aanbood te vergaderplaats, en Vriend Davelaar als voorganger instaleeren op een salaris van f. 600,– per jaar.  Alzoo is geschied. Men kwam in het gebouw bij elkander en Vriend D., die oeffende. Het viel van beide zijden wel wat vreeemd. Intusschen was Ds E.E. Gewin na Utrecht vertrokken en Ds W. van den Bergh bereide de zaak voor v/de Doliantie 1884 en 85.

 

Men dacht dat er al veel gewonnen was in de Herv. Kerk, maar toen kwam het Conflict in [de] kerk van Amsterdam en vele Kerkeraden zonden naar Amsterdam simpathiebetuigingen. Ook de Edesche vereeniging deed dat en tegelijk deden H. Klok en A. van Donselaar een schrijven aan de Kerkeraad te Ede om dat te doen, maar kregen een afwijzend antwoord. Toen werd in Arnhem een Congres gehouden in M. Cakrum (zie noot 2), waarheen gingen de Dominee P.W. Kalshoven en ouderling P. Jansen. [en] Ds K. verdedigde Ds K. het standpunt van de H.V. Kerk, maar werd daar door Ds Lion Coetzet [onduidelijk geschreven, kan fout zijn], Ds van den Bergh en ouderling Keuler [of Keulen] van de valsche [?] banden der Haagsche Sinode ingelicht. [en] Hij verliet spoedig de vergadering en ging weg. (Ondergetekende was getuige hiervan — W. d. N.).

 

Een paar weken daarna was in Amsterdam een Convent wanna toe gingen (toen begon men elkander Broeders te noemen) de Broeders G. Davelaar (voorganger) en C. van Beek, later Diaken. [Zij] brachten verslag uit daarvan in de vergadering (locaal). [en] Er werd het voorstel tot Kerk formatie (naar het ambt der gelovigen) gedaan, hetwelk voor eenige Broeders een ontsteltenis was, want dit was handelen en daar schrokken sommigen van terug. Maar die de zaak ernst was bleven volharden, [en] zijn daartoe overgegaan. en geholpen door Ds. E. Eijsma te Bennekom, die in de tusschentijd uitgetreden was en als Consulent voor Ede gesteld was, geholpen zoodat een Kerkeraad van twee Ouderlingen (W. Beussink en P. Melissen) en twee Diakenen (C. van Beek en A.J. Veenendaal) gesteld werden en bevestigd door Ds Eijsma.

 

En toen begon men te zien dat de Kerk in moeijelijkheid [was?] met het Oeffenaarschap van Br. Davelaar, maar alle Broeders waren even wijs (of onwijs) in Kerkelijke zaken, dat wat wel wat moeite veroorzaakte. [en] Wij hebben wij een sterke steun gehad aan Br J. Tulp die de vergadering wel in overweging gaf de kosten te overrekenen.[De moeite, die de stap doet] Wie de moeite doet om de stap te doen moet wel weten dat hij niet alleen de maatschappij tegen krijgt en de vijanden maar ook [de] vrienden. [en] Dit is waar gebleken maar wij mogen geloven dat in dit alles des Heeren leiding is geweest en dat de Broeders en Zusters geen kunstig verdichte fabelen zijn nagevolgd.

*************

  1. te voet van Ede naar Renkum was 12 km. Fietsen op zondag mocht niet

  1. bedoeld wordt Musis Sacrum (uitleg van Dries Touw)

Enveloppes - adres was niet nodig :-)

brief aan halfzus van Maria de Nooij-Doornebal 29-10-1929

Geliefde Zuster Jacoba! (1)

te Doorn

Uw schrijven en felicitatie op 23 October hebben wij ontvangen, waarvoor wij U hartelijk dank zeggen en wenschen u toe dat gij nog wat jaren moogt leven. en dat de Heere die uw leven aanving hetzleve ook moge afsluiten in Zijne gunst en U nog doe rusten op het volbrachte verzoeningswerk van Jezus Christus als de schuldovernemende Borg.  Wenk dan gast (?) aan het slot van uw schrijven uwe behoefte na (=naar) rust dat is wel een grote zaak van onze zijde bezien maar van 's Heeren zijde is het “Ik open en niemand sluit of Ik sluit en niemand opent". nog in het heden, legt maar alles voor den Heere neer. onmacht, blindheid, onwil want aan 's menschen zijde is niets dat die breuk kan heelen. ik denk nog gedurig aan onze geliefde Vrouw en Moeder, die zeide 60 jaar oud zijnde. nu heb ik aldus jaaren gebeden en nu is de Heer zo goed om die allen te verhoren en nog veel meer te geven.

En als je nu prijs stelt om te weeten hoe ik de verjaardag doorbracht en welke gedachten mij bezighielden zie dan. Toen wij in 1885 ons oudste dochtertje ten grave brachten zeiden wij en gevoelden met elkander de droefheid en uitten deze klacht uit Pslam 137 vers 5 en 6.  En wel eer ik U vergeeten zou vergeete mijne rechterhand zich zelven en dat heb ik zwaar gevoeld die dag en daarna van mijne geliefde Vrouwe en Kind. en gevoel dit nog dagelijks en dit is de eene zijde aan deze zaak. en de andere zijde is dit dat ik verslagen was voor den Heere, als ik zie wat de Heere vrij in die lieve Vrouw heeft geschonken met een ruim Moederhart en vol van de vreeze des Heeren en dat zij mochten ingaan in de stad met paarlen poorten waarheen al Haar verlangen gericht was, dan heb ik gezongen en gedankt dat de Heere Hen al hun verlangen gaf en dat die blijdschap nu ten hoogste toppunte (?) stijgt en door alles vol is van de goedheid Gods. en die dingen kunnen zoo mijn hoop verlevendigen dat ik alles om mij heen vergeet.

En nu, de verjaardag is als gewoon gegaan. al de Kinderen en aanverwante kinderen zijn tehuis geweest en wij waren genoeggelijk te zamen, de kinderen zijn erg lief voor mij. en Mina (2) die zal wel wat van alles geschreven hebben dat behoef ik dus niet te doen

Verder U het goede toewenschende in des Heeren gunst en vele groeten van ons.

 

                                    Uw zwager en familie,

                                                           W, de Nooij

Ede 29 October 1929

(1)   halfzus van zijn vrouw Maria, (Koos geb 13-08-1849); dochter van Pieter Doornebal en zijn eerste vrouw))

(2) Mina: dochter Mien, Nooij (10-10-1889- 15-1-1968)

Brief aan Marie en haar kinderen te renkum 17 november 1943

Aan onze Marie en hare Kinderen  te Renkum

Geliefde Kinderen!

Daar wij eenige dagen van elkander niets hoorden zijn wij maar eens gaan schrijven aan U. In de dagen van verdrukking is dit dubbel nodig, en geeft de band te gevoelen die er bestaat zoo lang wij in dit leven zijn. Zoo dagelijks en soms ook des nachts wel leven wij met U mee in de verdrukking die over U en ons gekomen is, door des Heeren hand die soms heel zwaar rust op ons lot en leven. Wij kunnen u en de Uwen gedurig in de gebeden opdragen aan de genadetroon en de bewarende hand des Heeren, die bij de beproevingen die Hij ons toezendt toch een barmhartige God blijft wien wij alle noden en zorgen mogen opdragen, en die Hij op Zijn tijd ook kan en wil vervullen en ten goede doen keeren. Want het heeft alles een doel, alleen wij begrijpen dat soms niet, doch krijgen het later wel te verstaan. Het kan soms zijn zoals er staat in Prediker 3 vers 3 en 4 lees dat maar eens over en dat toch later [tot?] een heerlijke uitkomst kwam. Ik heb dit bijgewoond en wensch het ook U van harte toe bij den Heere ligt voor die Hem vreezen alles afgemeten zoo als Zijne Eere en onze troost dit behoeft. Wij zien alle dagen al uit na het einde van de oorlog en de verschrikking en zouden dit wel willen beleven doch hoe dit zij de overwinning is toch voor dengenen die alles bestiert en regeert de Heere onze God in Christus Jezus die uitriep mij is gegeven alle macht in hemel en op Aarde vertrouw daar maar gerust op, dan kunt gij wellicht nog eenmaal des Heeren lof zingen Gij toch Gij zijt de roem de Kracht van hunne Kracht enz.

Verder gaat het ons zoo dat wij den Heere wel mogen danken dat Hij ons nog gespaard heeft voor en met elkanderen zo als wij nog zijn. Je kunt aan het schrift wel zien dat mijne oogen het opgeven maar als de Heere het oog des geloofs maar opent dan gaat het ons allen als de blindgeborene en zien wij de dingen in het rechte licht. Dit wenschen wij U en ons allen toe. Verdere bijzonderheden zijn er niet en wij hoopen dat de Heere U zal sterken en ook uwe kinderen bewaren waar ze ook mogen zijn.

Deze mede namens onze Dochters Mina Cor en Anna en mij.

Uw liefh. Vader en Grootvader

W. de Nooij

Ede 17 nov. 1943  

Overlijden Maria en Willem

 

datum van de foto hiernaast is onbekend

Verjaardagsbrief / afscheidsbrief Van Willem aan  elk van zijn kinderen

Onderstaande brief vond Ria Snoek (geb 1954, Johandochter), in het archief van haar Oom Wim, geb 1922, Govertzoon). Het is ooit door tante Rie (geb 1918, Govertdochter) overgetypt. Zij vond de brief in het dagboek van haar moeder, Marie Snoek-de Nooij, weduwe van Govert Snoek en een dochter van Willem de Nooij en Maria Doornebal (overleden 30-01-1928).

De brief is geschreven op 23 okt 1933, dus op zijn 80e verjaardag, met een naschrift van 25 febr 1934.

Willem de Nooij overleed op  07-02-1944, 90 jaar oud. In 1886 ging hij mee met de Doleantie. Hij verdiende de kost als schilder (zie ook familiekroniek - hoofdstuk 2)

 Halverwege de brief vertelt Willem over het ziekbed van Maria en een visioen dat zij zag. Nu zouden we dat waarschijnlijk  een ‘bijna dood ervaring’ noemen.

 Op een cd met scans van Dini Brussen vond ik TWEE handgeschreven brieven. Zelfde inhoud - maar duidelijk apart geschreven. In die tijd had je blijkbaar nog geen copieer-apparaten - of Willem heeft elk van zijn kinderen een 'eigen' brief willen geven…

Wat mij anno 2007 vooral opvalt is het taalgebruik: Willem gebruikt het ‘koninklijk meervoud’.  Hij spreekt zijn kinderen aan met U - en aan het eind van de brief zelfs met gij! Hij heeft het ook over 'onze' kinderen, terwijl de moeder van zij kinderen dan al overleden is.

Wat uiteraard ook erg opvalt is het enorme belang dat hij hecht aan het Christelijk geloof / aan zijn geloof.

Een enkele maal is door Ria een woordje (in cursief) toegevoegd ter verduidelijking.

*************

Aan de kinderen van WILLEM DE NOOIJ en MARIA DOORNEBAL

Onze geliefde kinderen!

 

Gelijk het zeer moeilijk is om in woorden uit te spreken wat het is: lief te hebben, of wel, wat dat inhoudt, het laat zich beter gevoelen wat het is, om natuurlijk lief te hebben.

Nog dieper ligt het, om uit te spreken wat het is, om God lief te hebben uit kracht van de liefde Gods, die in onze ziel wordt uitgestort door den Heiligen Geest, waaraan onze levensloop ten nauwste verbonden moet zijn, zullen wij hoop hebben voor de eeuwigheid; waarom wij, na lang overleg, en des Heren raad om kracht inroepende, besloten zijn, om één en ander onder uw aandacht te brengen; opdat gij na ons beider heengaan hiervan gedachtenis moogt hebben (2 Petrus 1:15).

Het leven dan van ieder mensch die eenige jaren leeft, is een geschiedenis; ook ons leven is dat; de jeugd, manlijke leeftijd en ouderdom, 3 tijden met afwisselende gewaarwordingen en behoeften in dit onrustige leven; en altijd met zonden bezoedeld, en met zorgen bezwaard.

Onze geboorten dan zijn: Vader, geb. 23 Oct. 1853 te Lunteren, ten huize van onze geliefde grootouders: Johannes Overeem en Elisabeth Lensink, godvreezende rnenschen; onze vader was Zwerus de Nooij en onze moeder: Willemina Overeem, wier huwelijk in febr. 1855 ontbonden werd doordat Vader Zwerus stierf, wonende te Ede, waarna Moeder met haar zoontje bij haar ouders in ging wonen. Alzoo was ik een halve wees.

Maar onder de leiding des Heeren is dit jeugdleven zeer gezegend geweest, dewijl onze pleegouders (grootouders; RS) ons zeer vroeg in de dienst des Heeren opvoedden, en Gods Woord inscherpten; dat ik mij nog goed in kan denken, met hoeveel tact en liefde dit geschiedde, want de liefde in dat huis was de atmosfeer. Wij voelden allen voor elkander; ik moest al heel vroeg met Grootmoeder in afzondering gaan bidden, wat mij altijd bijgebleven is, en voor veel zonden bewaarde; zoodat de Heere het gemis van Vader ruim vergoedde.

Mijn jeugd dan ging heen als bij ieder ander, ik wist en bad om bekend te mogen worden, en soms ook wel eens hoop kreeg dat de Heere dat doen zou; en ik dientengevolge toen de jaren daar waren, den Heere veel gebeden heb, dat ik een vrouw mocht ontvangen die den Heere vreesde; maar waarzoo?

Doch op zekeren dag (ik had besloten te wachten tot ik meerderjarig was, 23 jaren) zag ik, die later uw Moeder zou worden, toen nog nauwelijks 18 jaren oud, en dat kalme, zachte, nuchtere en besliste karakter trok mij aan; ik zocht haar te spreken, en deed mijn bekentenis aan Maria Doornebal (dochter van Pieter Doornebal en Jannigje van Harten te Doorn), geboren 11 Mei 1857; en wij hebben trouw den tijd (3 jaren) afgewacht onder biddend opzien. (Was het gebruikelijk om drie jaar te wachten, of moest een vrouw 21 zijn voor ze trouwde? Ws het laatste; RS) Met veel zorgen en bezwaren was onze verlovingstijd bezet, zoodat door moedeloosheid het einde daarvan scheen te komen, maar dan, als de beslissing zou vallen, altijd weer tot aanblijven werd besloten onder veel gebed, en wij eindelijk met volle toestemming van de Ouders van beide zijden op den 6e Febr. 1880 in het huwelijk zijn vereenigd. Dit huwelijk is in de kerk te Doorn bevestigd door Ds. Montijn uit Doorn (waar Uw moeder 2 jaren met een dochter van 16 jaren de huishouding gedaan heeft). Inmiddels had Vader te Ede een bestaan gezocht en gevonden door de goede hand onzes Gods over ons; en toen gelukkig met elkander zijnde, scheen ons huwelijk kinderloos te zullen blijven, waarom wij den Heere baden om een kind, dat 15 Juni 1881 geboren werd; een dochtertje, Willemina geheeten, naar Moeder de Nooij; een vreugde voor ons beiden en de familie; daarna werd 9 Maart 1883 een zoontje geboren, Pieter genoemd naar Vader Doornebal, en op 26 Sept. 1884 een dochtertje, genoemd Johanna Elisabeth, naar onze geliefde grootouders: Johannes Overeem en Elisabeth Lensink te Lunteren.

Uw moeder, die veel liefhad, zeide wel eens: hoe kan de Heere zooveel genot schenken? Maar de Heere kwam met Zijn tuchtroede, en op Zondag 21 Sept. 1885 werd ons oudste dochtertje ziek, en zeide: och moeder, zou ik nu sterven? en de dokter zeide: geen nood; en 23 Sept. 1885 's morgens 5.45 ging haar ziel uit, en was zij niet meer. In den nood der ziekte mochten wij bij den Heere pleiten op den Heiligen doop; en alzoo kwam hierdoor den domper op het leven.

Hoewel grootvader Overeem en uw moeder konden geloven dat het kind wèl was, en ik hier ook sterke hoop voor had (hetgeen de Heere Uw geliefde Moeder op 60-jarige leeftijd in het Diakonessenhuis in het geloof getoond heeft) dat Willemina in de rij der verlosten was opgenomen onder de gezaligden.

Ons huwelijk werd gezegend met zes zonen en zes dochters; alzoo (zijn) na Willemina' s heengaan nog elf in getal overgebleven voor wie de zorg en opvoeding ons opgelegd was; behalve de geestelijke behoeften, die wel het voornaamste waren.

Uw geliefde Moeder dan, onthield zich in dagen van zwangerschap van alle sterke dranken en prikkelende spijzen, als zijnde nadeelig voor de te verwachten kinderen.

En meestal gingen wij eerst in het gebed, voordat de dokter gehaald werd (want de nood van moeder en kind was soms zwaar) daar wij beiden de te verwachten kinderen vóór de geboorte aan de Heere opdroegen, dan ook mèt de geboorte.

Wij gingen de eerste vier jaren altijd bij Ds. E.E. Gewin te Renkum ter kerk, waar ons hart naar den Zondag verlangde; en de afstand niet te groot, en veel genoten; in de hoop, dat de Heere het mocht bevestigen aan ons en onze kinderen; en velen met ons.

Uw Moeder dan, mocht in die dagen een blik slaan in den Naam des Heeren, genaamd Wonderlijk, met toe eigening voor zichzelf;  hetwelk niet alleen haar geest, maar ook haar lichaam aangreep op een zalige wijze en latere overdenking.

En Uw Vader kreeg een tijd daarna te zien, dat hijzelf in Adam van God afgevallen was, hoewel door den Heere geschapen, om met Hem verzoend te leven, dus in de schuld staande; waarop een harde tijd volgde in het Godsgemis, met voor ons beiden verborgen trekking naar den dienst des Heeren, en somtijds ook eenige hoop op de genade Gods.

Wij hadden een zeer druk, zorgelijk, maar gelukkig huwelijksleven, en mochten arbeiden voor ons gezin, onder den zegen des Heeren, en in deze tijd van 1887 en 1888 voorbereid worden om de stap te doen, om mee te mogen gaan met de uitspruitende Gereformeerde Kerk (in Doleantie) hetwelk voor de tijdelijke dingen veel bezwaren, verwijdering van vrienden en zorgen medebracht; maar wij konden niet anders, want het gold de belijdenis van de zaak des Heeren, en dat is in het leven het allervoornaamste; dit gold voor ons de eer des Heeren, en wij zijn daar niet beschaamd mee uitgekomen. De Heere heeft alles gezegend, voor de tijd en de eeuwigheid.

Doch een gemis bleef voor ons bestaan n.l. de kennis van Christus Jezus als onze Borg en Zaligmaker; totdat de Heere omstreeks 1894 mij dit gemis zóó sterk deed gevoelen en het uitdreef in het gebed, waarop de genadige ontsluiting kwam met deze woorden uit Joh.14:6: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven; niemand komt tot den Vader, dan door Mij; toen keerden de geloofswerkzaamheden om en gingen uit, en tot Christus, en dit gaf veel verruiming en blijdschap, maar bleef er nog een gemis over, n.l. het dadelijk eigendom van Christus te zijn; waarmede (het gemis n.l.) ik dan hier en dan daar, bij oude vromen ging klagen en vragen, maar zonder goed uitsluitsel; tot na eenige weken in de kerk bij Ds. van Velzen gezongen werd ps. 68:2, deze woorden: daar zij hun wensch verkrijgen; toen heb ik Christus in Zijn ambten en staten door het geloof mogen omhelzen als mijn "Bruidegom" (zalige vrede); waarna de Heere zich na korter of langeren tijd, altijd weer eens openbaarde; éénmaal nog was dat een langen tijd geleden, en moest ik in het najaar eens zuchten, 's avonds kwart voor 7: "Heere, wat ontmoet ik toch weinig uw liefelijk aangezicht" en meteen valt de Heere in met deze woorden: "Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster; Ik heb de sleutel der hel en des doods; Ik open, en niemand sluit; Ik sluit en niemand opent."

Uw moeder, in de kamer komende, zeide: "Wat zit je stil, man?" Ik zeide "de Koning is er; mijn Koning, mijn Jezus, mijn Al."

Uw geliefde Moeder bleef bij dit alles uiterlijk te zien, maar toeschouwer, doch innerlijk kon ik waarnemen, dat de Heere haar uit zichzelven  uitdreef tot den weg der vrije genade en ze zeide: "ik ben geheel verloren"; doch de vreeze des Heere was onder dit alles klaar te zien en op te merken.

Eens vroeg zoon Zwerus mij: "wat is Moeder toch voor haar geestelijk leven?" Ik zeide: "dit komt zeker terecht, maar de Heere toeft (toeft = wacht; RS) daarmede nog in Zijn alwijsheid."

Over onze kinderen in de opvoeding en verzorging, hadden wij veel te zorgen, maar wij hadden bijna nooit lastige verschillen daaromtrent, en hadden veel liefde voor en met elkander en onze kinderen zagen daarin de goede hand des Heren en wij kregen naarmate wij nodig hadden, moed en krachten en stoffelijke middelen, wat ons wel eens zeer beschaamd en verlegen maakte voor den Heere, omdat toch alles enkel genadegiften zijn.

Doch alzoo groeiden de kinderen op, en begonnen ons naar vermogen in den arbeid en het inkomen te steunen; en gingen in de dingen van Gods Koninkrijk en school en kerk, de weg die in 's Heeren Woord aangegeven is, en mochten wij een gelukkige tijd te samen zijn.

In 1905 mochten wij de zilveren bruiloft vieren op 6 Febr, met onze kinderen, het personeel en vele familieleden en vrienden en vriendinnen; dit was voor het uitwendige het hoogtepunt van het huwelijksleven; wij hadden toen veel zegeningen op te merken.

Maar onze geliefde Vrouw en Moeder begon daarna teekenen van inzinking te krijgen, die mij wel eens deden zuchten, temeer daar zij voor de eeuwige belangen met een bezwaard en donker gemoed moest leven, maar een stille hoop bleef toch leven, en naar den Heere uitzien. Het leven bracht ons in ‘s menschen oogen veel voorspoed en zegeningen, die uw Moeder en ik beiden wel opmerkten, als uw Moeder zeide: "Man, zouden wij wel in des Heeren weg zijn, want er is geen kastijding in ons leven, zooals alle kinderen des Heeren toch moeten ondergaan." Ik zeide: "dat zal de Heere op Zijn tijd zeker geven, als wij het dan maar uit Zijn hand gewillig aanvaarden."

En uw Moeder, 53 jaar oud zijnde, werd ziek aan een zware beroerte, waar zij weken aan gelegen heeft, en toch door des Heeren gunst weer wat mocht herstellen, zoodat zij in het huislijk en kerkelijk leven zich zoo slapjes kon bewegen, en mocht nog weer naar de kerk gaan, en wat loopen, onder welk gebeuren mij altijd die waarheid bijbleef: nochthans beschikt God niets ongerijmds op aarde; en was ik wel onderworpen in den weg des Heeren, maar tot schaamte moet ik zeggen, toen ik mijn lieve Vrouw zoo ingezonken zag gaan, ik inwendig in opstand kwam voor den Heere en mij daar nog over schaam voor die goedertierene God; maar de Heere weet wat maaksel wij zijn, en bij Hem is veel vergeving, daar mocht ik op pleiten.

Maar, het leven zoo heengaande - mocht ik nog wel eens verruiming krijgen voor de eeuwigheid, en vaste hoop, maar uw geliefde Moeder moest donker haar weg gaan, en veel zuchten over haar gemis aan troost en dorheid, en of ik zocht te troosten, zij was in eigen besef verloren en ging onder dit alles onze kinderen nog voor, in de hoop dat die dus nog behouden konden worden; wonderlijke doolhof, waarin zij was verdoold onder de leiding des Heiligen Geestes, dat mocht ik wel verstaan, en te samen bij den Heere aanhouden in het gebed, om uitkomst; doch de weg werd zwaarder en de hoop kwam op de proef, zeven lange jaren, en wij mochten bij de kleine dingen leven; doch gehéél was de hoop nooit weg, hetzij bij uw Moeder, hetzij bij mij; wonderlijk is toch de Heere, en leidt de ziel in het dal van de schaduwen des doods.

Uw geliefde Moeder dan, bijna 60 jaar oud zijnde, moest op advies van Dr. van Leeuwen geopereerd worden, ik meen 20 Maart 1917, en moeder was daartoe wel genegen, maar wenschte dat eerst de ouderlingen zouden komen, en voor haar bidden, zooals toen ook geschiedde door de broeders: J.A. Eijgenraam en H. Bussink, en toen raakte Moeder heel overgegeven aan de leiding des Heeren, als zij maar licht mocht hebben om te kunnen sterven. Onze lieve Mina en ik hebben haar toen om half 4 met een auto (!! 1917!; RS) weggebracht naar het Diaconessenhuis te Arnhem, en Moeder aan den Heere opgedragen en overgegeven.

En de volgende morgen ging Mina er weer heen, en vond Moeder zóó gelukkig; zoo zij zeide n.l. was zij 's nachts om 2 uur wakker geworden, net of iemand haar over de lip streek, en toen kwam zij in de liefde Gods! Zóó als zij die nog niet gekend had, en om 5 uur in de morgen nam de Heere alle zonde en schuld van haar weg. "Ik zag", zeide zij, "al mijn zonde wegschuiven in de zee, alsof zij niet bestonden, en uitgewischt waren"; en toen ik des middags kwam, deelde zij mij al die grote weldaden mede, en leidde de Heere haar in de volgende dagen terug, tot haar kinderjaren toe, zoodat zij mocht zien, dat zij op achtjarige leeftijd al bekeerd was, en wel bij het opzeggen van psalm 25:5 (Loutre goedheid, liefdekoorden enz. en: Wie heeft lust, den Heer te vreezen?) waarbij zij haar levenskeus al gedaan had, bij Wulfert Floor aan huis.

De operatie verliep heel goed, en wij waren zoo oververblijd, dat de Heere Zijn werk in Moeder zoo vastgelegd had, dat wij geen woorden hadden om uit te spreken, of om den Heere naar waarde te danken; en nu kon Moeder met twaalf dagen weer naar huis gaan, dit was een blijdschap. Moeder deelde mij ook mede, dat de Heere haar had doen zien, wat een voorrecht het was zooveel kinderen te hebben, dit was een zegen. Daarna mocht Moeder nog elf jaar met ons leven in veel onderworpenheid, maar ook veel zorgen, dat de Heere ook gewisselijk aan de kinderen die haar liefderijk  verpleegd hebben zal zegenen naar Zijn beloften; die zoete liefde die daarmee gepaard ging, heeft ons beiden dikwijls verlegen gemaakt  voor den Heere.

Maar er was voor Moeder nog een geweldige strijd door te maken in die jaren.

Vanaf 20 Maart 1917 tot 2 Jan 1918 mocht zij in gestadige geloofsblijdschap en leven bij den Heere leven, en zeide toen, dat wat zij oude kinderen des Heeren wel eens hoorde zeggen, die bestrijding n.l. toch bij haar niet was,  maar veel blijdschap en de nabijheid des Heeren. Ik zeide: het is wel, en geniet er maar veel in; als die bestrijding komt, is zij soms vreselijk; dank nu den Heere maar, en geniet de weldadigheden volop. Maar 3 Jan. 1918 zeide Moeder in stilte: Man, kom eens hier. Nu heb ik kennis gemaakt met die geweldige aanvallen van de vorst der duisternis; dat is vreeselijk; toen was Moeder blij als wij haar eens bemoedigden met Gods Woord, of met een geschrift dat deze dingen beschreef.

Maar onder dit alles bleef de lijdzaamheid der heiligen haar bij en gaf de Heere haar genadige afwisseling, zoodat zij de volheid in Christus en het rusten daarin weer mocht smaken en den Heere loven.

Dan, in Sept. 1920, kwam er opnieuw een inzinking bij Moeder en trad een algehele hulpbehoevendheid in, doch bleef het hoofd meestal nog wel helder en had Moeder altijd nog veel lief, tot beschaming van ons en die haar bezochten.

Zoo hebben dan onze kinderen, inzonderheid onze dochters, veel te zorgen en te verplegen gehad bij dag en bij nacht, zeven en een half jaar lang; hetgeen met zooveel liefde en toegenegenheid geschiedde, dat wij daar wel verlegen mee werden, die toewijdende liefde, zoodat de Heere dat alleen kan en zal vergelden; ja iedere zoon en dochter deed wat ze konden om Moeder te troosten; hetwelk Moeder zeer tot steun was in haar lijden; ook de beide hulpen die wij gehad hebben komt daarvoor dank toe, maar inzonderheid de Heere, die alles zóó beschikte, dat het met liefde gedaan werd.

Dan in die jaren waren de bestrijdingen soms heel erg, zoodat, onder des Heeren bestel Moeder veel moest doormaken, totdat zij in Dec. 1927 zeide, de vaste toezegging van den Heere te hebben ontvangen: Zie, Ik ga heen om u plaats te bereiden, en als Ik die bereid heb, zal Ik u allen tot Mij nemen, opdat gij zijn moogt waar Ik ben; en dan moet ik daar wezen; en dat heeft Broeder en Vriend L. Hey uit Veenendaal nog aangehaald vier dagen vóór Moeders heengaan; hierin verblijdde Moeder zich zichtbaar; dit was zoowat de laatste helderheid met kennis, waarbij Moeder verblijd toen afscheid nam van die Broeder, die haar vele jaren om de 2 maanden wel bezocht en bemoedigde; en dewijl de bestrijdingen toen ophielden heeft Moeder de gehele maand Januari rustig haar einde afgewacht, en de zaligheid ingewacht die Christus Jezus voor haar verwierf, uit genade door God drie-enig geschonken; en derwijl Moeder opmerkte dat zij ziek was en zij graag wilde, dat wij bij haar uitgang zouden zijn, is Moeder beloofd dat er altijd één van ons bij haar zou zijn, zooals ook geschied is, toen Moeder op Maandag 30 Januari 1928 in vrede om ongeveer half 5 's morgens ontslapen is, in tegenwoordigheid van onze geliefde Mina, Cornelia en Anna en mij, Vader, en ik kon zeggen: kinderen, Moeder is in de wolke der getuigen opgenomen (Hebr. 11) en hebben die geliefde dochters haar geliefde Moeder afgelegd; de ziel opgaande tot God, en het lichaam den weg der gansche aarde gaande na een gelukkige echtvereeniging van bijna acht en veertig jaren (zegge: 48 jaren); wat een zegen van den Heere. En op 2 Febr. 1928 is het stoffelijk omhulsel ter aarde besteld, en hebben wij daarna op de grafsteen laten beitelen: III Joh.:4: "Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hóór, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen."  Dit hadden wij bij Moeders eerste ziekte afgesproken en is zoo geschied; daarom, geliefde kinderen: houdt dit in gedachtenis en scherpt het ook uwe kinderen in, daar zal de Heere Zijn zegen over geven.

En alzoo, toen mijn weduwnaarstaat intrad, heb ik veel droefheid en gemis dóórgemaakt, maar werd dit veel verzacht door de liefde die ik van U, geliefde kinderen, mocht ontvangen, hetgeen alweer de Heere kan vergelden en zal vergelden, naar Zijn beloften die nooit feilen. En nu gaan de jaren henen; vele vrienden, vriendinnen, en tijdgenooten gaan heen, en laten een ledige plaats achter, dat wel eens droevig stemt; nog meer toen op het laatst de oudere familie klein werd en oom H. Ordelman op 11 April 1931 stierf, gaf dit een heel gemis, dewijl die altijd van nabij met ons medeleefde en hartelijkheid betoonde; en vele andere kennissen en vrienden, zooals de Heer B. Peereboom, ook een hartelijke vriend en Broeder, die mij soms als een Vader kon troosten in het gemis van uw geliefde Moeder, daar hij ook wist wat het was, om elkander te moeten missen, maar ook het zalig voorrecht had van het eenmaal weder te zullen zien, op die plaats waar geen scheiden meer zal zijn.

Dan is het mij een gedurige smart, dat degenen die weleer met ons gingen naar de Gereformeerde Kerk en meenden dit naar luid van Gods Woord te moeten doen, dat zij die weer de rug toekeerden en het weer ergens anders zochten; doch een troost blijft hierbij open, dat onze kinderen bijna allen de kerk getrouw gebleven zijn, met uitzondering van een zoon die dwalende geworden is; toch blijft er een stille hoop en bede over, dat de Heere hem en zijn vrouw en zijn kinderen weer terecht zal brengen; dan zou ik met Vader Jacob zeggen: nu is het genoeg, Heere.

Evenwel, geliefde kinderen die den Heere trouw zijt gebleven, houdt niet op, met hun de liefde te bewijzen en stil te vermanen, tot dat gij in het geloof overwint in den Heeren kracht en tot Zijn Eer, en misschien moesten zij na veel gebed overwonnen worden.

En nu terzake van mijn leven; hoe dat is ten opzichte van den Heere en van de zaligheid die de Heere Jezus verworven heeft voor al Zijn volk, dan is dat zóó: de Hoop blijft altoos aanwezig, maar mijn bedorven hart en bestaan dooven zooveel het lieve licht dat ik zoo noodig heb om in die duistere nevel van ongeloof nog het leven des geloofs vast te leggen in Christus Jezus en daarin te rusten; dan, als de Heere het gordijn eens wegschuift, kan ik wel eens zingen, en mij in die liefde verblijden en koesteren, en den Naam des Heeren prijzen, dat Hij dat geschonken heeft, en onze wegen zóó geleid heeft als dat nu is, en kan ik dan ook berusten in Zijn doen en welbehagen; evenwel de tijd nadert, dat ik opgeroepen word van deze aarde, en nu blijf ik u allen in liefde gedenken, en aan den Heere in het gebed opdragen, Die zal de stamelende beden op Zijn tijd verhoren.

Nog heel veel zou ik kunnen zeggen van den zegen des Heeren die wij, uw Moeder en ik, mochten ontvangen; de uitreddingen en de bemoeienissen des Heeren voor de eeuwigheid en ook voor den tijd, en omdat de Heere Zijn Woord gestand doet en Zijn beloften nakomt; volgt deze raad van Moeder en mij en het zal u welgaan, voor de tijd en voor de eeuwigheid.

De Heere zeide tot Abraham: "wandelt voor Mijn aangezicht en zijt oprecht.”

Wij hebben u allen in den Heiligen Doop aan den Heere opgedragen, en hebben te dien opzichte ook wel beloften in mindere of meerdere mate mogen ontvangen dat de Heere dien Doop zou bevestigen in Christus Jezus door het geloof; daarom geliefde kinderen, blijft volharden in het zoeken en betrachten en arbeiden in den dienst des Heeren en steunt de zwakken en die wankelen in deze dingen; beoefent veel broederlijke en zusterlijke liefde met en aan elkander en des Heeren Naam zal hierdoor verheerlijkt worden, en zal u tesamen sterk doen staan tegen de zonde, vloek en afval die op aarde is, en komt, en het de rechte belijders des Heeren benauwd zal maken; doch geen nood, wijl Christus Jezus overwonnen heeft, en alle macht heeft in hemel en op aarde, en Zijn belofte heeft nagelaten, met Zijn Kerk te zijn tot aan het einde der aarde.

Dat dan uw toezicht op elkander zij in liefde en vermaning en vertroosting, en tot steun in tijdelijke en eeuwige dingen. Dat is dan onze hoop, wensch en verwachting; 's Heeren Eer, en uw aller welzijn, dan zullen wij ons hoofd rustig kunnen nederleggen, en de geest in 's Heeren hand afleggen, uit genade, in Christus Jezus onzen Heere.

Nogmaals, de Heere zegene u allen, en uw kinderen, tot eer van zijn heiligen Naam, om Jezus Christus wil, dat zij zoo.

 

En nu nog een vriendelijk verzoek n.l. aangaande de nalatenschap die overblijft, deelt die in vrede.

Kan het gevonden worden dat de meubels en huisraad aan de zusters komen, desgewenscht en tegen goede schatting, aan Mina, Cor en Anna, dat zou het beste zijn.

De boeken konden dan gedeeld worden, en heeft dit te veel bezwaar, wil alles dan onder elkander verkoopen, dat zal naar schatting wel zonder notaris kunnen.

En nu ben ik aan de leeftijd der zeer sterken gekomen, en ik heb nog vele zegeningen op to merken voor mijzelf en u allen. "Ik leef", om met de Sunamitische te spreken, "in het midden van mijn volk” en kinderen, en mag nog veel liefde ontvangen, en heb nog voor den tijd mijn bescheiden deel, en weinig lichaamsgebreken.

En nu, de zegen des Heren zij uw aller en uwer kinderen deel in voorspoed en tegenspoed, want ook de tegenspoeden kunnen de goedheid des Heeren zijn, tot tuchtiging, tot oefening in de gebeden.

En houdt bij alles des Heeren Woord als een lamp voor uw voet, en de Heere bevestige en leide en bekwame u tot Zijn dienst en eer in onzen lieven Heere Jesus Christus, door den Heiligen Geest; dat zij zoo.

einde.

 

Ede, 23 October 1933

Uw aller liefhebbende Vader

Willem de Nooij

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.--.-.-.-.-.-

Ede, 25 Febr. 1934.

De Profeet zeide: "wat zal het nu zijn?"

Onze geliefde zoon en broeder Pieter is door den Heere uit dit leven weggenomen, na een kennelijke voorbereiding voor de eeuwigheid en wij zwijgen den Naam des Heeren. Hij was ons zeer lief en waard, en mocht bijna 51 jaar levens bereiken, en had vrede door het bloed des kruises, en stierf in vrede; maar wat een droefheid heeft dit heengaan van de geliefde zoon ons nagelaten.

En nu, geliefde kinderen, die bij de ontvangst dezes nog in leven zijt, zoekt den Heere en leeft naar Zijn Woord; bidt veel om leiding en genade, om te dragen in geduld, wat de Heere u ook toezendt, Houdt aan in het gebed, en de Heere zal aan U en Uw kinderen bevestigen dit woord: Ik ben Uw God, en Uws zaads God, tot in vele geslachten; en dient elkander in broederlijke en zusterlijke liefde, en doet voor elkander alles, wat Gods Woord beveelt, dan zal het U wel gaan, ook als de verdrukking der volken die dreigt de samenleving en alles mocht ten onder doen gaan. Want wij weten niet wat die oordeelen zullen uitwerken, maar dit weten wij, dat de Heere getrouw en almachtig is, en Zijn Volk op Zijn tijd zal verlossen en zalig zal maken. Weest getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de Kroon des levens, in en door den Heere Jezus Christus, dit staat vast.

De Heere beware u allen voor de strikken van den Satan, en doe u die ontgaan, en leide U in Zijn vreese. De Heere Jezus zeide tot Petrus,  Zijn Apostel: de Satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor U gebeden dat Uw geloof niet zou ophouden; dat is die lieve Jezus, die dit zegt en dit zij uw deel.

 

Misschien kan ik geen afscheid van u allen nemen, maar dan nog mijn dank voor de liefde en de  kinderlijke zorg,  waarmede gij Uw geliefde Moeder en mij hebt omringd; de Heere weet hoe wij elkander en U liefhebben, en voor u gebeden hebben.

De strijd des levens is zwaar, maar de overwinning ligt in Christus Jezus; dit zij uw deel. Leest met uw kinderen veel Gods Woord; dat is den Heere aangenaam; dit geeft troost en kracht in dit leven; veroordeelt niemand, want dit komt ons niet toe.

Indien mogelijk, hebt veel lief; dient en steunt de Kerk van Christus Jezus, en houdt vrede met alle menschen, en strijdt den goeden strijd des geloofs, en het zal u wel gaan; en het anker der hoop zij voor u in het binnenste heiligdom.

Dat geve de Heere.

 

Uw liefhebbende Vader,

W. de Nooij 23 Sept. 1934

(overgenomen uit het originele boekje van vader.      M. Snoek- de Nooij)

************************

Na het schrijven van deze brief overleed in 1940 Jan de Nooij, door een verdwaalde kogel. Zijn vader Willem de Nooij overleed een paar jaar later, febr 1944; RS

 

Bron: familie-facebook groep

geschilderd door

Willem de Nooij 07.02

Anna (08.02.32) over haar vader Willem de Nooij

Het voorafgaande werd door Vader (1) geschreven toen hij 81 jaar was.

Op 84 jarige leeftijd in het laatst van Mei kreeg Vader, terwijl hij aan het wandelen was met zijn oudste kleinzoon, door een kleine misstap, een beenbreuk in de heup, waardoor Vader, die practisch nooit één nacht van huis was geweest voor zoover onze heugenis gaat, 10 weken in Arnhem in het Diaconessenhuis moest zijn.

Dit werd door Vader met groote lijdzaamheid en geduld gedragen. Mien (12) ging iederen middag hem bezoeken en het was stil in huis. Maar... boven ieder’s verwachting genas het been weer en kon Vader, met heel veel moeite, eerst op 2 stokken, later steeds op 1 stok leunend, weer loopen en hoewel, vooral de eerste jaren, het been buitengewoon gevoelig bleef voor koude, is het, door Gods gunst, toch nog weer zóó ver gekoomen, dat Vader zichzelf weer helpen kon en kleine wandelingen kon maken. De ,,Macostan”, het Schildersbedrijf, Zwerus (2), Ko (3), Ds Hajer, Mej. Bussink, Hazeleger (4),  J. Willemsen, dat waren zoo ongeveer de doelen voor een bezoekje.

 ’t Was wel een heele beproeving voor Vader dat hij niet zoo vlug en zoo ver meer kon loopen, als tevoren. Dit zei Vader ook telkens. Toch was het, hoe vreemd het ook klinkt, voor zijn lichaam beter zóó; Vader vergde altijd meer dan zijn krachten toelieten en nu gaven de beenen het sein tot ophouden. Héél erg vond Vader het dat hij nog steeds niet knielend zijn morgen- en avondgebed kon doen. Tot op een dag Vader opeens, o zoo blij, zei: “Nu kan ik ook m’n knieën weer buigen”.

Eerst werd de voorkamer ingericht voor atelier. Vader schilderde daar menig stukje, dat nu onze kamer versiert; tot de schaarschte van de brandstoffen ook dit hem ontnam en de schuur en de tuin hem overbleven. In de schuur is menig timmerwerkstukje verrezen.

Reparatie, karweitjes, verfwerkjes, lijmwerk, alles werd daar met groote toewijding en accuratesse verricht.

..... Zóó naderde Mei 1940. Bij Vader was het zóó: als er iets heel ergs was, was Vader kalm en vol vertrouwen in God. Als 87 jarige is Vader ook in die eerste oorlogsdagen met ons de kelder ingegaan, verder van iedere menschelijke hulp verlaten; maar o, wat was hij toen sterk in het geloof; vol rustig vertrouwen; wat steunden ons zijn gebeden, vol rust en geloof opgezonden tot den troon van den Almachtige.

Zóó heeft Vader ook Jan’s (5) sterven op 13 Mei 1940 aanvaard. ,,Nochthans beschikt God niets ongerijmds op aarde” staat er in het boek Job; een woord dat Vader in zulke vreeselijke dagen vaak op zijn lippen nam en waaruit bleek hoe hij zich aan God vastgreep in de ontzetting van de eerste schok. Vader was getroost door Jan’s onverzwakte geloof in God’s leiding in zijn leven en in dat van zijn gezin. Maar o, wat kon hij dat gezin opdragen aan den Grooten Vader der weezen en den Rechter der Weduwen!

Intens leefde Vader in alles mede in de geweldige golfslag van de daarop volgende jaren.

Vader zei wel eens: ,,ik kan toch niet denken dat de Heere een voleinding met ons volk zal maken; Hij zal ons niet in deze slavernij laten.” Daarvan was Vader beslist overtuigd.

– Langzamerhand takelde Vader af. Zijn oogen werden belangrijk minder. Een oogarts kon hierin geen verbetering brengen. De laatste winter vóór Vader’s 90ste jaar kon alleen met een sterk en groot vergrootglas de krant gespeld worden.

Urenlang las Vader zóó in den Bijbel en vaak was dan de verzuchting:  “wat blijft Gods Woord toch altijd nieuw! En altijd vindt je er weer gedeelten in die je niet wist dat er in stonden.”

Buitengewoon helder van geest bleef Vader. Wel begon zijn doofheid hem de finesses van de dagelijksche gesprekken te onthouden. Maar ook dat heeft Vader leeren overgeven, hoewel niet altijd even gemakkelijk.

Er was in Vader altijd de botsing tusschen het vitale van zijn energiek bestaan én de langzaam aansluipende ondermijning en slooping van zijn lichaam.

Dat langzaam minder worden ging haast ongemerkt. Wij moesten elkaar er gedurig opmerkzaam op maken. ,,Zien jullie het wel? Nu kan Vader dit niet meer; nu kan Vader dat niet meer, omdat hij het niet meer zien kon.

Naar de kerk gaan was het laatste jaar uitsluitend als voorbeeld van gehoorzaamheid bedoeld.

Vader kon niets meer hooren, hoe het op allerlei manier ook geprobeerd werd met een andere plaats, met een gehoor-apparaat enz.

Alléén op de zondagen dat het Heilig Avondmaal werd gevierd, ging Vader ter kerk. Zelfs het lezen van het formulier dat Vader toch zóó welbekend was, kon Vader niet meer verstaan. Maar de dood des Heeren verkondigen, daar was geen goed gehoor voor noodig, alleen de gezindheid van het hart jegens zijn God sprak dan en dan was het goed.

Op de gaanderij rekten zich de jongelui om te zien dat ,,de ouwe de Nooij er ook was en ook aan de tafel ging”.

Na de 2e of 3e tafel gingen Vader en die van ons Vader begeleidde, dan maar naar huis, anders was het alles te vermoeiend.

– Zóó naderde October 1943, de maand waarin Vader zijn 90ste verjaardag zou vieren. Wij overlegden met Vader of we deze dag, in ieder geval samen met alle eigen kinderen en aangetrouwden zouden vieren, of onopgemerkt zooveel dit mogelijk was, zouden doen voorbijgaan.

Vader zei: ,,Ja, hoe hadden jullie je dat dan gedacht, het samen vieren?”

Nu, bij voorbeeld, een gezamenlijke feestelijke broodmaaltijd; dan zijn we intiem bij elkaar en kan er rustig een woordje gesproken en verder genoten worden. ,,Ja, ... als dat kon!!!”

,, Maar hoe kom je aan alles wat je daarvoor noodig hebt? Nu, dat bespreken we eens en proberen het voor elkaar te krijgen.”

Wij, voor ons, zagen dat dit de laatste verjaardag wel zou zijn en deze moest onvergetelijk zijn.

En dat is hij geworden! Wat heeft Vader dáár van genoten! Wie er toe in staat was, droeg bij om deze maaltijd overvloedig te doen zijn.

,,Dat is volkomen gelukt” waren Vader’s eigen woorden.

Hieronder volgt het authentieke agendum voor Vader’s 90ste verjaardag, ’t welk we, om nuttigheidsredenen enigszins moesten wijzigen, maar toch grootendeels zóó werd uitgevoerd. Hiervan werd een afschrift naar ieder gezin van de familie gezonden vóór 23 October.

 

Wat een lekkernijen, fijne levensmiddelen, flesschen oude wijn en zelfs dikke bot, (Vader’s lievelingskostje!), heerlijke schol en fruit, werden Vader cadeau gedaan!

Van het personeel der beide zaken werd een fruitmand cadeau gedaan.

Vader’s verlanglijstje voor het middageten (zie hieronder) kon volledig worden vervuld.

 Vader genoot van de familie-bijeenkomst en de groote belangstelling. Hij voelde zich door liefde omringd.

– Maar... blijde en droeve dagen wisselen elkaar maar al te spoedig af.

Dinsdags na Vader’s verjaardag werd Wim Snoek (6) gevangen genomen. Zondags tevoren was hij nog in Ede en bij Vader geweest en wij allen voelden in die dagen het groote voorrecht dat nog ieder van de familie op vrije voeten was.

En nu zóó kort daarna de 1e slag!

En 9 Dec. de 2e slag. Zwerus (2) werd gevangen genomen en Ko (3) moest verdwijnen. Dat was iets wat Vader buitengewoon aangreep en zorg baarde. Niet alleen het gemis van de bijna dagelijksche bezoeken van deze twee zoons, maar ook de zorg over de zaak en alles wat daarmede samenhing, gaf Vader heel veel bekommernis.

Nóg hartelijker en dringender werden Vader’s gebeden aan tafel voor alle gevangenen en in ’t bijzonder voor God’s kinderen onder hen èn voor Zwerus en Ko.

Na 9 dagen kwam Gode zij dank, de invrijheidsstelling van Zwerus.

Die emotie, op de late avond, was voor Vader’s hart te veel. Een nacht van benauwdheid en schrikbeelden en nachtmerries, volgde.

Het gevolg hiervan was hartzwakte, iets wat Vader nog niet eerder gehad had. De dokter zag het al dadelijk tamelijk ernstig in; er moest bij gewaakt worden; daartoe vonden we Geesje (7) dadelijk bereid. Weken van spanning en zorg gingen voorbij.

Vader meende zelf dat hij nog weer hiervan zou herstellen. ,,Ik kan niet van m’n kinderen loskomen; ik kan niet van jullie loskomen,” klaagde hij eens.

Heel rustig en buitengewoon weinig eischend lag Vader maar neer.

Eens riep Vader mij bij zich en vroeg me: Vindt jij Gods goedertierenheden ook zoo groot?

Ja, zei ik, die zijn geweldig groot. Weet U nog wat Moeder daarvan zei, in verband met Psalm 136? Het staat er geen één keer teveel in... ”Ja, dat zei Moeder”.

Dan weer eens vroeg Vader: dachten jullie dat dit het einde zou zijn? Wij zeiden wat de dokter gezegd had; dat Vader heel ernstig ziek was en dat het wel mogelijk was dat de Heere hem zou oproepen.

,, Ik kan het toch niet gelooven”, zei Vader toen, zóó ziek voelde hij zich niet.

De eigen kinderen met echtgenooten kwamen Vader trouw en liefdevol bezoeken; ieder gevoelde dat het kort dag was nu. Oud- en Nieuwjaar over kwam Maria (8) logeeren en zouden wij om beurten bij Vader waken. Hulp had Vader haast niet noodig en hij hielp zóóveel mee bij het optillen.

De spanning van Moeder’s laatste levensdagen kwam ons weer helder voor den geest nu.

Ds. Hajer kwam Vader trouw bezoeken; ook bracht ouderling Welbedacht een hartelijk bezoek.

Op Zondag 2 Januari kwam een inzinking welke wij allen voor het einde aanzagen.

’s Middags kwart voor 2 lieten wij Zwerus en Costera (9) roepen.

Vader sprak als een aartsvader ons toe als volgt: Het schijnt wel of het einde van alle dingen is gekomen en daarom wil ik jullie den zegen des Heeren toewenschen. Je moet dóórgaan op den ingeslagen weg en nooit den strijd opgeven. En al lijkt het soms of de Satan zal overwinnen, dat is niet zoo; Christus zal overwinnen, want Hij is de Vorst des Levens.

Je moet elkander blijven steunen; je broers zijn heengegaan (dit tegen Zwerus speciaal!); Wim (10) heb ik onder vier oogen opgedragen, ik heb wel hoop dat hij ook komen zal.

Toen Zwerus vroeg of hij er tegenop zag heen te gaan, zei Vader: de weg ligt niet altijd even helder, maar ik kan toch niet iets hards van den Heere denken.”

En tevoren tegen Mien (12): ,, ik denk dat het heengaan wordt.”

,,Daar hoeft U toch niet tegenop te zien?”

,,Voor God te verschijnen?! (dit met grooten eerbied)

,,Ja, maar in Christus Jezus!

,,Jaaaa”, met een diepe zucht.

’t Was een intiem samenzijn, wat voelden we ons één!

In de week die hierop volgde kwam Ds Kremer Vader ook nog bezoeken. Dat vond Vader fijn! Die twee begrepen elkander altijd zoo goed! ,,Broeder de Nooij,” zei Ds Kremer, ,, U hebt een lang, gezegend leven gehad en nu komt het beste nog.” Wat was dat fijn gezegd!

Wat bad hij hartelijk met Vader en daarna was het een afscheid wat betreft deze wereld.

– Maar, o wonder, Vader fleurde van de inzinking nog wat op. Terwijl de eigen kinderen in de laatste dagen van 1943 eigenlijk reeds afscheid van Vader hadden genomen, telkens als zij weer kwamen, leek er nu eens beterschap te zullen intreden.

In de laatste weken hadden we om de groote zwakte, de kleinkinderen niet bij Vader toegelaten. Nu meenden we echter dat de groote kleinkinderen daar ook recht op hadden; en geleidelijk zóó, dat het niet vermoeide, kwamen ze Vader goedendag zeggen en eigenlijk ook: afscheid nemen. Voor ieder had Vader een eigen woord van afscheid.

Die niet tot de familie behoorden en geen ambtsdrager was, lieten we terwille van de rust, niet bij Vader toe.

Groote bescheidenheid en toch ook weer groote belangstelling was er bij de gemeenteleden. Vader zei eens: ,, ik woon in het midden van m’n volk”, en dat kwam echt uit in deze ziektedagen.

De dokter zei: ,, ’t kan best zijn dat Uw Vader nog wat opknapt; hij kan nog wel weer in de huiskamer komen en aan tafel eten, maar verwacht er niets van, het blijft vegeteeren.”

En toch lieten we ons door de schijn bedriegen. Langzaam knapte Vader op. ’t Kwam weer zóó ver dat Vader weer aan tafel at en zijn immer verheffend tafelgebed deed; het allereerste weer voor de gevangenen en alle verdrukten.

De laatste Zondag in Januari was ik met Vader thuis uit de kerk. Uit ,,Genade geneest” had ik Vader wat voorgelezen. ,,’t Is mooi, Moeder vond het ook altijd zoo mooi, hè?

Zullen we nu even pauzeeren en dan nog een eindje lezen? Ja dat was goed.

Toen ik even in de keuken was, hoorde ik Vader uit zijn stoel opstaan (dat gebeurde anders haast niet meer) de kamer doorloopen en .... zingen. Dat deed Vader zoo graag als hij eens alléén thuis was. Ook liep Vader eens even naar de voorkamer. ,,Hé, ik ben eens even naar voren geweest, dan zie je nog weer eens wat.”

 

Toen de kerk uit was en het zoo zacht was buiten, vroeg Cor (11): zullen we samen eens even de tuin ingaan? Nou.... neen, laten we dat dan bij leven en welzijn morgen doen. Ja, dat was goed.

Maar Maandag was het geen geschikt weer en Vader praatte er niet meer over.

En terwijl wij meenden dat de beterschap weer toenam, kwam ’s avonds de koorts weer aansluipen. ’t Was weer mis. Hooge koorts kwam er opzetten.

De dokter die al afscheid had genomen, werd weer geroepen. Hij zei niet veel, maar meende dat Vader kou gevat had. Wij konden niet denken hoe dat mogelijk geweest was.

Op 7 Februari Maandag kwam het einde.

Vader was de hele dag telkens buiten bewustzijn en is ’s avonds in de schemering 5.25 zachtkens ingeslapen. Zijn handen lagen rustig in de onze, zijn blik richtte zich om beurten op ons, totdat zijn ogen zich sloten als een kind dat rustig gaat slapen, om te ontwaken in het eeuwige licht om Hem te roemen en te prijzen Die Vader hier zo lang met Zijn Goddelijke liefde en trouw omringd heeft.

 

Op Vrijdag 11 Febr. ’s middags om half twee hebben wij Vader ten grave gedragen. Geen toespraken, alleen sprak Ds. Hajer een kort woord en las de Geloofsbelijdenis.

Zwerus dankte allen en wees vooral de vele jongeren van Vaders nageslacht op het éne nodige en weer op de woorden die op Vader en Moeders graf staan: ,,Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat mijne kinderen in de waarheid wandelen” 3 Joh.:4 

 

 

Noten van Ria Snoek (geb 1954)

 

  1. Vader Willem de Nooij (1853-1944), werd de laatste jaren verzorgd door zijn 3 ongehuwde dochters Cor 08.02.31 Mien 08.02.26 en Anna 08.02.32
  2. Zoon Zwerus , 14-6-1886 - 24-3-1964  08.02.24
  3. Zoon Ko (10-1-1897- 7-10-1984) 08.02.30
  4. Hazeleger - medewerker Macostan
  5. Zoon Jan, geb 14-9-1887,   overleden  13 mei 1940, door verdwaalde kogels  08.02.25
  6. Wim Snoek, kleinzoon van Willem,
  7. Geesje Wilms, geb 10-10-1916 - overl 1994  ongehuwd, kleindochter van Willem, dochter van Johanna Elisab (Bets) de Nooij (26-9-1884- 15-5-1951) x Hendrikus Wilms. Ze was verpleegkundige (info Johan Snoek, Govertzoon, geb 1920)
  8. Maria Snoek-de Nooij, dochter van Willem, moeder van Wim Snoek (6) 08.02.28
  9. Costera, echtgenote van Zwerus (2)  08.02.24
  10. Zoon Wim , (2-6-1895 - 15-3-1984) 08.02.29
  11. Dochter Cor (geb 3-10-1898 - 13-3-1994) 08.02.31
  12. Dochter Mien (10-10-1889- 15-1-1968, niet gehuwd)  08.02.26
  13. De tekst is hoogst waarschijnlijk geschreven door dochter Anna (15-03-1900 - 7-03-1949)  08.02.32

In memoriams en herinneringen (1963 en 2006) aan Willem

uit een boekje dat gemaakt is ter ere van de 40 jarige bruiloft van Ko de Nooij en An Snoek (1963) 08.02A.28A

Teksten over Willem de Nooij, de vader van de bruidehom 

Iemand, die ik nooit zal vergeten

tekst van H. de Nooy, Heelsum. 08.02.27     (broer van Ko, Hendrik de Nooij geb. 1891; RS)

"Opa de Nooy" is in Ede nog steeds een begrip. Al wordt deze aanduiding door het thans opkomende vierde geslacht ook gebezigd voor de bruidegom van  heden,  ingewijden  weten,  dat  hier zijn Vader  bedoeld  wordt,  een persoonlijkheid, die zijn stempel op de familie heeft gedrukt. Voor ons begrip vertegenwoordigt Opa de Nooy, wiens karakter hieronder door één  van zijn zoons wordt beschreven,  een  voorbije stijlperiode.  En toch was hij in zekere zin zijn tijd vooruit. Zo liet hij zijn jongens een school voor schildertechniek te Brussel bezoeken, hetgeen omstreeks 1900 niet gebruikelijk was en van progressiviteit getuigde. Bekend is voorts, dat hij de kerk verliet, zodra de dienst twee uren duurde, hoe meelevend hij overigens op kerkelijk gebied was. Het beeld van Opa als patriarch boezemt eerbied in. Het verwondert niet dat  wanneer  hij  op   hoogtijdagen  staande   een toespraak hield, al  zijn zoons als één man ook oprezen.

Het door Opa nagelaten dagboek toont aan dat een mens, wiens objec­tieve biografie geen opvallende bijzonderheden vermeldt, door zijn sterke geloofsleven toch een zeer bijzonder mens kan zijn, een mens naar Gods beeld.

Vader Willem de Nooy

oktober 1853   -   februari 1944

Het is slechts mogelijk, heel summier een beschrijving van en enkele belevenissen uit dit zeer lange leven te geven.

Terecht wordt in deze bundel plaats ingeruimd voor de Vader van de bruidegom van heden, temeer daar onze Vader een markante figuur was en een grote plaats in de familie- en burgerkring innam. Het blijft echter moeilijk, een korte biografie van Vader te geven, zonder Moeder (Maria Doornebal 1857-1928; RS) daarbij te betrekken. Zij beide waren van en met elkaar en beoogden één doel, te leven, te werken en te besturen naar een hoog niveau, zedelijk en geestelijk.

Stel U Vader voor als een vrij lange, kaarsrechte figuur met een militaire pas en prachtig blauwe ogen, die helder in het hoofd stonden. Hij had baard, noch snor, in zijn jonge jaren echter wel. Zijn kleding was goed verzorgd, met weinig opschik en donker, een platte pet op het hoofd, die vlot kon worden afgenomen voor het groeten van medemensen. Vader Willem de Nooy keek nogal stuurs, was correct en verlangde dat ook van zijn omgeving, waar hij verantwoordelijk voor was. Pikante dingen waren er aan zijn persoon,  welke wij wel eens wat overdreven vonden, doch  is het erg, dat hij veel respect had voor officieren en al wat „gestudeerd" had en dus wetenschappelijk was? Het gevolg was, dat ons al heel vroeg werd ingepeperd, voor deze groepen vooral de pet af te nemen, evenals voor dames met een voile. Deze inslag heeft vader wel goodwill bezorgd in allerlei verbanden.

De taak als huisvader (met moeder) was wel gigantisch voorwaar en het was dan ook geen wonder, dat het wel eens kookte en bruiste, zodat de sfeer wat „geladen" was in huis en zaak. Men bedenke, dat onze ouders elf kinderen bezaten: zes jongens en vijf meisjes. Het was dus voor ons geraden in het gareel te lopen, om niet in het „magnetisch veld" te geraken (gommenoris!). Vaders levensgezellin was dan steeds de overtuigende en flinke persoonlijkheid om de storm te doen „leggen". Vurig, enthousiast voor de principiële zaken, werden we opgevoed, om zonodig strijdvaardig voor onze overtuiging van geloof of politiek uit te komen. Veel levenswijsheid was vaders deel, wellicht mede door zijn opgroeien in een kring (midden 19de eeuw), waarin over genoemde zaken geen blad voor de mond werd genomen. Zijn wijsheid en doorzicht kwamen zo heel mooi uit in zijn frisse humor en beeldspraak en rake typeringen. Nog heden ten dage zijn hiervan de sporen te ontdekken bij enkele nazaten.

Thuis waren de zondagen flink puriteins; er zou niet licht van de toen geldende normen worden afgeweken, want dan was het oordeel daarover vrij gauw geveld en was het commentaar weinig moedgevend. Het grote gezin had zich te voegen naar de aangegeven vaarroute en het is te begrijpen, dat het met die elf genuanceerde zieltjes wel varen, doch ook laveren werd. Zeilen voor of tegen de wind, wat extra moeilijk werd in de puber­teitsperiode van elk onzer. De lezer bedenke, dat deze periode ± 20 jaar duurde, eer de laatste door de branding was. Voorwaar geen kleinigheid. Een weinig groepsvorming was er wel in ons gezin, dan was deze, dan gene uitblinker. Het was al leven, deining en wasdom thuis. Natuurlijk moest er strengheid zijn, orde en tucht. In de jonge jaren was dat wel eens een zwaar te verteren brok in ons bestaan, vooral als werd gezegd, dat dit „uit liefde" ging; doch die liefde was dikwijls de voor ons verborgen draad, die door de leidsels heen liep. Toch is in mijn herinnering duidelijk gegrift een intens gelukkige, levendige jeugd, die in het hele gezin of in diverse fracties daarvan veel vreugde en saamhorigheid gaf. In gezellige bedsteden werden de emoties gezamenlijk beleefd, om de volgende dag weer optimist te beginnen, wel wetend, dat het lot des mensen soms grillig kan zijn. Orde, regelmaat, tucht en medewerkzaamheid waren aan de orde van elke dag en wij waren er het beste aan toe, als we ons blijmoedig aan de spelregels hielden in dit grote, bonte samenspel, om te geraken tot een verantwoord opgroeien en uitvliegen.

Ja, dat uitvliegen, dat durfden we wel, her en der en de wijde wereld werd ons domein. Vader vond dit heel goed, doch overlaadde ons niet met „reisgeld", dus selfsupporting was de boodschap. Toegegeven, het kon ook moeilijk anders; het thuisfront moest ook verzorgd worden, doch soms mochten we een „handreiking" in ontvangst nemen en dan ging het weer opgewekt voorwaarts.

Buitengewoon veel belangstelling bleek vader te hebben in de uiteindelijke bestemming, die we vonden. We zijn uitgevlogen of hebben het geluk gevonden op de aloude grondslag van Ede, waar de wortels van het ouderlijk bestaan diep zijn ingedrongen en waar een jongere generatie thans op de wieken is gegaan. Van onze ouders heeft vooral vader er heel veel van gezien en hij gaf dikwijls zijn wijze adviezen. Het was geen supervisie, doch grote belangstelling; hij sprak bemoedigend, waar het nodig was. Bovendien wist hij als stille vennoot zijn nageslacht te om­ringen met gebed.

De laatste twintig jaar waren vaders verjaardagen even zovele reünies, waar hij in het bijzonder ons op 't hart bond, in de toekomst elkander zoveel mogelijk te steunen en de familieband niet te doen verslappen. Vader sprak het meermalen uit, dat hij zich wel eens wat eenzaam voelde, hoewel hij temidden van een grote familie leefde. Wij begrepen dat maar weinig. De oorzaak van die eenzaamheid was, dat vaders tijdgenoten ongeveer alle van het toneel verdwenen waren en hij hen als stokoude man telkens weer miste.

Evenwichtige blijmoedigheid, grote algemene interesse en vooruitstrevend­heid waren zijn deel. Zo bereed hij in Ede als eerste de fiets en zo kon het later gebeuren, dat hij in huis een deuntje liep te fluiten of te zingen, zelfs nog na zijn tachtigste jaar, toen vader zijn heup had gebroken en na zijn herstel wat moeilijk bleef lopen, waardoor zijn „actieradius" kleiner werd. Tot op zeer hoge leeftijd wijdde hij zich aan de tuin, de perenpluk en het schilderen van landschapjes, later zelfs met behulp van een loupe.

Zijn belangstelling voor de oorlogshandelingen was groot en vurig verlangde hij, de overwinning op Duitsland te mogen beleven, doch in februari 1944 is vader na een kort ziekbed gestorven in de wetenschap, dat het allerbeste komende was.

Heb ik vader in dit artikel geïdealiseerd? Neen, dat kon ook niet, want vader wist zelf maar al te goed, wie en wat hij was voor zijn God, doch hij geloofde in Zijn grote genade. Daarin hebben onze ouders ons altijd voorgeleerd, om hun groot gezin tot gids te zijn naar de toekomende eeuw. Wij gedenken hem met veel blijdschap en dank en willen hen volgen in een wel zeer sterk veranderde tijd en wereld. De marsroute is bekend, het beloofde land wenkt en wij hebben een Leidsman!

 

Herinneringen aan grootvader Willem de Nooy •23-10-1853. #7-2-1944

(door zijn kleinzoon Johan de Nooy, Jacobuszn; bijgewerkt 2006.)

Ik was 5 maanden oud toen opa (hij wilde persé grootvader genoemd worden) overleed en

heb hem dus nooit gekend.

Als ik dan bij hem op schoot zat wipte hij wat met mij op en neer en zei dan: "jij bent een

beste vent".

Vader Jacobus (genoemd naar tante Koosje Doornebal) was als enige van de kinderen niet

op zijn begrafenis, omdat de SD achter hem aan zat. Hij heeft vanachter een raam (ik geloof

bij Jacob Wilemse in de Brouwersstraat) de stoet gadegeslagen toen ze Torenstraat 5

verlieten.

Willem heeft nog tijdgenoten van Napoleon gekend! En zijn moeder had nog meegemaakt

dat zij als dienstbode in Arnhem de kozakken tussen de poten van de paarden zag slapen.

Ze stonden in de luwte van de stadspoort en de haren van de ponnies hingen als een deken

over de kozakken heen. Ook gebruikte hij soms nog woorden van franse afkomst, en af en

toe rekende hij, en Oma Maria Doornebal ( Doorn, 11-5-1857, # Ede, 30-1-1928) in

stuivers i.p.v. guldens: iets kostte dan niet een gulden maar "20 stuivers". Meestal droeg hij

een zwarte bef.

Opa's vader Zwerus overleed toen Willem 1,5 j was en zijn moeder Willemina Overeem ging terug naar haar ouders. Overigens zijn ze pas getrouwd toen Opa al geboren was en hebben hem toen als kind erkend. Omdat 'de tantes' uit de Torenstraat dit een grote schande vonden, hebben zij het trouwboekje van Zwerus en Willemina verbrand! Jammer! Opa, geboren in Lunteren, werd zodoende daar bij zijn grootouders opgevoed en hij wist nogal wat oude verhalen vanuit overlevering: er was ooit een goudtransport over de Hessenweg gekomen en de soldaten hadden de kar met goud naast de kerk gezet en gezegd: Wij gaan slapen. Als er mogen één goudstuk mist, branden we het hele dorp plat. Dus zorgden de burgers zelf voor bewaking.

Ook wist hij te vertellen dat zijn familie rond zijn geboortejaar veel évacués uit de Gelderse Vallei moest opvangen wegens watersnood van de Rijn. Dat is dan dus de grote overstroming van 1855 geweest, toen de hele Gelderse vallei zelfs een deel van Amersfoort onder water stonden. De Grebbelinie werkte dus wél, als er maar genoeg water was! Ook de hele Betuwe en het Land van Maas en Waal stonden toen blank.

Opa was een nogal kort aangebonden man, zeiden mijn zussen en de neefs wisten te vertellen dat 'het geen leuke opa was'. Ik denk zelfs dat hij behoorlijk eigenwijs was. Hij trouwde hervormd in Doom op 6-2-1880 maar in 1884 ging hij met de Doleantie mee naar de Gereformeerde Kerk. Zolang er in Ede geen dominee was, die de juiste leer verkondigde,

ging het gezin W. de Nooij elke zondag te voet over de hei naar Renkum ter kerke. Totdat dhr. Georg J.C. Cavaljé zijn koetshuis aan de Molenstraat ter beschikking stelde om er een noodkerk van te maken. De geref. Noorderkerk dateert pas van ±1903.

Overigens werden Willem en Maria door de classis Arnhem op 15-10-1895 uit de N.H. Kerk gezet ("De kerk in 't midden", p 85).

En als in de Noorderkerk de collectant met zijn zak aan een lange steel langs kwam en per ongeluk een lamp raakte, die dan bleef zwaaien, klom Opa op de bank om het ding stil te hangen, want "anders kon hij zijn aandacht niet bij de preek houden".

 

Behalve een steunpilaar van de kerk, ouderling natuurlijk, was hij ook een zeer praktisch christen: hij ging eens op huisbezoek en kwam een kwartier later terug, liep zonder iets te zeggen naar de kelder en sneed een groot stuk spek af, want: "met een lege maag kunnen ze niet over het Woord Gods spreken*.

Hij had als eerste inwoner van Ede een fiets, waarmee hij als schilderspatroon alle karweien snel kon afrijden. Hij zat in de wijde omgeving: zo heeft hij het psych(iatrisch) gesticht in Wolfheze geschilderd en beglaasd opgeleverd. En het Belgenvluchtoord op de Ginkelse hei in 1914, natuurlijk.

 

In 1905 werd de 41 m hoge watertoren gebouwd en (zo lees ik in de Zandloper van 2006-3) het schilderwerk aan de toren werd verricht door de fa. W. de Nooij en Zonen voor een bedrag van f. 580,25. Uurloon: ƒ 0,17, maar voor de 6m hoge houten bovenbouw (van de watertank van 200m3) werd ƒ 0.19 p.u. berekend, als 'gevarentoeslag'. En ook het jachtslot St Hubertus was één van zijn karweien. De betaling door dhr. Kröller liep wat moeizaam: toen dhr K. dat liet bouwen, moest de smid 40km hek om het park zetten, er moesten vijvers gegraven worden etc., kortom een groot werk voor die tijd. Bij de afrekening zaten alle patroons in de gang - met de pet in de hand - te wachten tot zij binnen geroepen zouden worden.

De timmerman kwam jammerend naar buiten, hij had niet alle centen gebeurd. En ook de smid werd gekort. Toen moest Willem naar binnen: 'mijnheer de Nooij, deze post voor arbeid lijkt mij erg hoog, kunt u dat toelichten?* Jawel mijnheer Kröller, ik heb hier een specificatie van alle gemaakte uren: ƒ. 0.17 per manuur. "En die 22 cent per uur, van wie is dat dan?" "Dat is van mijzelf mijnheer Kröller". Oh, juist, ja. En hoe zit die en die post dan? Opa ging driftig staan, keek hr. Kröller recht aan en zei met flikkerende ogen. "mijnheer Kröller, alles klopt tot op de laatste cent!" Ik geloof u, mijnheer de Nooij. Hier is de cheque voor het gehele bedrag. Opa was nog boos toen hij thuis in Ede kwam, en zei kwaad "en die Helene Muller houdt het met de boswachter,  als mijnheer Kröller op reis is".

Op een gegeven dag liep het hele dorp uit want koning Willem III zou met het rijtuig vanuit Apeldoorn langskomen om de trein bij Ede-Wageningen te nemen. Iedereen nam de pet af, want daar kwam de majesteit aan. Maar één van de paarden struikelde in een gat en de andere begon te steigeren, waarop er een stem uit het rijtuig klonk: "koetsier, houd die verdomde paarden in bedwang", waarop Opa zijn pet weer opzette, want: "de majesteit had gevloekt, en daar nam hij de pet niet voor af"

De tantes (Mien, Anna. Cor) verzorgden Opa op zijn oude dag (Oma Maria Doomebal was al in 1928 overleden aan een hartaanval, evenals tante Bets in 1951 en tante Men in 1968), maar ze waren ook wel blij als hij even ophoepelde. Hij had een eigen werkplaatsje bij Macostan, waar hij dan diverse schilderwerkjes (mooie trouwens!) knutselde, zoals de beschilderde toiletrollen (pennenstandaards), sigarendoosjes met Oostindische kers, de fazant en de Vlaamse gaai, e.v.a.

Vaak gingen ze dan even bij Oom Zwerus en tante Costera koffie drinken en dan moesten ze  langs de achtertuin van hr. Kreek, die door een heg gescheiden was van de tuin van oom Zwerus. En dan liep daar altijd zo'n nijdig keffertje, die de mannen naar de kuiten beet Oh, zei Opa,  dat doet hij morgen niet meer; hij ging even terug naar de zaak, haalde een maatje terpentijn en gooide dat het beest, dat weer kwam aanblaffen, recht in de ogen. Beduusd liep het dier weg en schuurde vanwege de jeuk met zijn kop door het zand en het gras, maar het blaffen en bijten was voortaan wél afgelopen.

In de gang op Torenstraat 5 had hij een muurschildering gemaakt, voorstellende een boerenbinnenplaats met kippen, eenden, een paard, varken e.d. Dit is gesneuveld toen het huis in 1971 werd afgebroken tb.v. de reconstructie van Markt en Molenstraat. Zund!

Hij was helemaal kaal, een beroepsziekte veroorzaakt door loodhoudende verven,  waarschijnlijk loodwit hij droeg een pruik, die hij alleen in bed afzette.

Opa Willem vroeg mijn Vader eens: Ko, rijd mij nog eens naar Lunteren toe, want daar zijn nog oude mensen die "Willem' tegen mij zeggen. In Ede noemt iedereen mij hier 'mijnheer'. En als ze dan in een kwartiertje vanuit Lunteren in Ede terugkwamen in de T-Ford, Lunteren was toch 'een uur gaans", dan zei Willem: "Ko, 't  is gewoon bar zo snel als dat gaat, ik heb de smaak van de koffie nog in de mond".

bijgewerkt   6 december 2006.

 

Familiekroniek - met verhalen over Willem  de N en Maria D

Familie kroniek foto's Willem  de N en Maria D

Familiekroniek - herinneringen van dochter Marie aan haar vader Willem 

als je na de verhalen over Willem en Maria doorklikt naar de volgende pagina, kom je op een pagina met foto's 

 

stamboom Maria Doornebal

naar 8e generatie - na deze pagina 11 aparte pagina's van zoons en dochters Willem en Maria